De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor bedreiging, poging tot handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en smaadschrift. Het middel richt zich op de vraag of het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van een begin van uitvoering van de poging tot het voorhanden hebben van een vuurwapen.
De Hoge Raad overweegt dat voor een begin van uitvoering vereist is dat de gedragingen van verdachte objectief gezien gericht zijn op de voltooiing van het misdrijf. In deze zaak bestond het handelen van verdachte uit het telefonisch informeren naar een vuurwapen en het uiten van de intentie het wapen te willen kopen. Dit is onvoldoende om een begin van uitvoering aan te nemen, omdat het te ver verwijderd is van het daadwerkelijke voorhanden hebben van het wapen.
De Hoge Raad verwijst naar jurisprudentie waarin een begin van uitvoering wel werd aangenomen bij concretere handelingen die direct bijdragen aan het misdrijf. Hier was sprake van een enkel telefoongesprek, zonder verdere uitvoerende handelingen. Daarom is het oordeel van het hof dat sprake was van een begin van uitvoering niet begrijpelijk en wordt het arrest vernietigd voor zover het feit 2 en de strafoplegging betreft.
De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling in hoger beroep. Daarnaast klaagt de Hoge Raad over het verzuim van het hof om de duur van de vervangende hechtenis te bepalen, wat eveneens aanleiding geeft tot vernietiging van de strafoplegging.