Conclusie
“telkens: witwassen, begaan door een rechtspersoon”en
“deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, begaan door een rechtspersoon”veroordeeld tot een geldboete van dertigduizend euro.
naar [medeverdachte 5] [medeverdachte 6] was toen al directeur bij [A] en [medeverdachte 2] kon geen directeur zijn omdat zij de zus van [medeverdachte 6] is en [medeverdachte 6] de directeur van [A]. Het is mij door [medeverdachte 2] uitgelegd dat zij geen directeur konden worden en ik wel. Ik verdiende veel geld waar ik niets voor hoefde doen"
eerste middelkeert zich met een motiveringsklacht tegen de bewezenverklaring van het onder feit 1 en 3 tenlastegelegde witwassen op de grond dat 1. een specifiek verhullende handeling niet is vastgesteld, en 2. dat de witgewassen gelden ‘onmiddellijk’ mede afkomstig zijn uit de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie.
voorhanden hebbenvan de in casu criminele gelden/opbrengsten uit eigen misdrijf, maar het
opzettelijk verbergen en verhullenvan de werkelijke aard van de geldbedragen, dan wel van wie de rechthebbende op de geldbedragen is. Dat verbergen of verhullen kan m.i. rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen worden afgeleid. In zoverre is ’s hofs oordeel dat hier sprake is van witwassen, geenszins onbegrijpelijk en afdoende gemotiveerd.
ookgericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen/verhullen van de gelden. Niet doet hier derhalve ter zake dat de eveneens ten laste van de verdachte bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie een ander (strafbaar) gevolg is van verdachtes handelen. Noch is - in weerwil van wat de steller van het middel wil - de deelneming aan een criminele organisatie te beschouwen als het grondfeit, waardoor het hof zich schuldig zou hebben gemaakt aan het ‘automatisch verdubbelen van de strafbaarheid’. Wanneer ik de steller van het middel zou volgen (quod non) zou dat onverkort moeten inhouden dat de door Uw Raad geëiste (extra) gedragingen die (kennelijk) gericht zijn (geweest) op het daadwerkelijk
verbergen of verhullenvan de criminele herkomst, zelf nooit een strafbaar feit mogen opleveren, bijvoorbeeld deelneming aan een criminele organisatie.
tweede middelkeert zich met een motiveringsklacht tegen - naar ik uit de aanhef van het middel meen te moeten begrijpen - alle bewezenverklaringen (witwassen en deelneming aan een criminele organisatie). Meer specifiek klaagt het middel dat niet uit de bewijsmiddelen valt af te leiden dat er sprake is van valse facturen. Voorts zou het hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dienaangaande onvoldoende gemotiveerd hebben verworpen.
derde middelklaagt dat de bewezenverklaarde deelneming aan - kort gezegd - de criminele organisatie niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Hiertoe wordt aangevoerd dat 1. de bewezenverklaarde ontvangsten/doorboekingen van twee geldbedragen niet een zodanige duurzaamheid constitueren dat er van een duurzame onderlinge samenwerking kan worden gesproken; en 2. dat de wetenschap van het criminele oogmerk van de organisatie in de onderhavige zaak niet voldoende is om het deelnemen aan te kunnen nemen.
NJ2001/518 bedoelt aan te voeren dat wetenschap van het criminele oogmerk van de organisatie in casu niet voldoende is om deelneming in de zin van art. 140 Sr Pro aan te kunnen nemen, kan ik de steller van het middel niet volgen en berust het op een verkeerde lezing van voornoemd arrest.