Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
bij wijze van gratificatieaan u toe te kennen (…)” (
onderstreping toegevoegd, A-G)
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
ambtshalveheeft willen toepassen, is het hof volgens de klacht onder I.b uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd omdat deze ambtshalve toepassing in strijd is met art. 24 Rv Pro. Indien ervan moet worden uitgegaan dat Stadstoezicht in de procedure een beroep had gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, heeft het hof volgens onderdeel I.c miskend dat het in strijd met de beginselen van een goede procesorde is om in hoger beroep nieuwe grieven aan te voeren in het stadium na de memorie van grieven. Onder I.d klaagt het middel over een schending van het beginsel van hoor en wederhoor, doordat het hof deze nieuwe stelling (nieuwe grief) van Stadstoezicht heeft behandeld zonder [eiser] naar behoren in de gelegenheid te stellen om op die stelling (grief) te reageren. Indien het hof ervan is uitgegaan dat reeds in eerste aanleg door Stadstoezicht op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid een beroep was gedaan, klaagt onderdeel I.e dat het hof in dat veronderstelde geval had moeten oordelen dat de rechtbank dat (impliciete) standpunt heeft verworpen en dat daartegen in appel geen grief is gericht.
rechtsgrond van het verweer heeft aangevuld of ook de feiten die door Stadstoezicht aan het verweer ten grondslag waren gelegd [12] . Art. 24 Rv Pro verbiedt het hof de feiten aan te vullen, terwijl art. 25 Rv Pro het hof verplicht de rechtsgronden aan te vullen. Daar moeten procespartijen rekening mee houden. Stadstoezicht had slechts gesteld dat zij de vordering onder de aangevoerde omstandigheden ‘stuitend’ vond. Het hof heeft aan deze stelling de juridische kwalificatie gegeven dat de vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Een dergelijke juridische kwalificatie van een verweer is aan te merken als een op zich toelaatbare aanvulling van de rechtsgrond [13] .
volenti non fit iniuria’. Met deze rechtsspreuk pleegt te worden bedoeld dat aan een handeling die in beginsel onrechtmatig is, het onrechtmatige karakter wordt ontnomen door een rechtvaardigheidsgrond. Tot de rechtvaardigingsgronden kan de uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van de benadeelde behoren [15] .