Conclusie
[eiser 1],
[eiseres 2],
1.Feiten en procesverloop
I.voor recht verklaart dat de rechtsvordering van de Gemeente tot revindicatie van de drie stroken grond op grond van het bepaalde in art. 3:105 lid 1 BW Pro jo art. 3:306 BW Pro is verjaard, en
II.de Gemeente veroordeelt tot medewerking aan de levering van genoemde drie stroken grond aan [eiser] c.s.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
met de pretentie rechthebbende te zijn” (rov. 4.12, slot) respectievelijk dat geen sprake is geweest van “feitelijke machtsverschaffing
met de pretentie rechthebbende te zijn” (rov. 4.13, slot).
a)tot en met
c).
bedoelingtot machtsverschaffing
als een rechthebbende. Volgens het middel vereist art. 3:113 BW Pro uitsluitend de verwerving van houderschap (in ruime zin, vgl. art. 3:108 BW Pro), en dient de vraag of dat houderschap kan worden gekwalificeerd als bezit niet te worden beantwoord aan de hand van art. 3:113 BW Pro, maar door toepassing van art. 3:108 BW Pro (en derhalve aan de hand van de verkeersopvattingen, met inachtneming van art. 3:109 e.v. BW en overigens op grond van uiterlijke feiten). Volgens het onderdeel heeft de onjuiste rechtsopvatting dat de feitelijke machtsverschaffing in de zin van art. 3:113 BW Pro gepaard moet gaan met de pretentie om dat
als eigenaarte doen, het hof ten onrechte gebracht tot een vergelijking (in rov. 4.13, tweede volzin) met de
huurderdie feitelijke macht over een zaak uitoefent (cassatiedagvaarding onder 5-9, zie ook met name s.t. onder 13 en 17).
onderdeel 1zoals door mij gerubriceerd
ondera)falen.
“Bezit wordt verkregen door inbezitneming op zodanige wijze dat men zich de feitelijke macht over het goed verschaft met de pretentie rechthebbende te zijn” –heeft het hof, anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, kennelijk niet uitsluitend bedoeld toepassing te geven aan het bepaalde in art. 3:113 BW Pro. Het hof heeft in deze zin immers kennelijk niet alleen het oog gehad op feitelijke machtsverschaffing in de zin van art. 3:113 lid 1 BW Pro, maar tevens tot uitdrukking gebracht dat de daden van de occupant erin geresulteerd moeten hebben dat hij bezit heeft verkregen in de zin van art. 3:107 BW Pro, anders gezegd, dat hij naar verkeersopvatting op grond van uiterlijke feiten en met tenietdoening van het bezit van de eigenaar moet kunnen worden gekwalificeerd als houder voor zichzelf (art. 3:113 lid Pro 2 i.v.m. 3:108 BW), dat wil zeggen naar verkeersopvatting op grond van uiterlijke feiten een pretentie van het zijn van rechthebbende uitstraalt.
met de pretentie rechthebbende te zijngedurende een periode van twintig jaar (rov. 4.13), waarmee het hof kennelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat de gestelde daden van inbezitneming naar verkeersopvatting niet de conclusie rechtvaardigen dat sprake is geweest van houden voor zichzelf gedurende de vereiste periode.
onderb)gerubriceerde klachten terecht tot uitgangspunt dat hof in rov. 4.12 en 4.13 heeft bedoeld (tevens) art. 3:108 BW Pro toe te passen.
nu dit nummerbord en dit pad ook aangebracht zouden kunnen zijn door een huurder.
abstractebenadering (“huurders kunnen ook paden aanleggen”, “pachters kunnen ook omheiningen plaatsen”, etc.) miskent dat de verkeersopvatting zich richt op alle concrete omstandigheden van het geval. Daartoe behoort m.i. ook het al dan niet bestaan van een
concrete aanwijzingdat van de uitoefening van een zodanig ander beperkt of persoonlijk recht sprake zou kunnen zijn. Ik wijs erop dat in de rechtspraak van Uw Raad betreffende niet ondubbelzinnig bezit telkenmale concrete aanknopingspunten bestonden voor de mogelijke uitoefening van een ander recht dan het recht waarvan het bezit werd gepretendeerd. Zo was geen sprake van ondubbelzinnig bezit van de eigendom (onder betaling van grondrente) in het geval waarin de werkelijke eigenaar de betaling van dit bedrag, gelet op ingeschreven aktes, met evenveel recht als betaling van een erfpachtscanon mocht beschouwen. [29] Zo sanctioneerde Uw Raad het oordeel dat geen sprake was van ondubbelzinnig bezit van een perceel nu dat perceel, dat verpacht was aan een derde maar niet door deze werd gebruikt, werd gebruikt door de pachter van een aangrenzend perceel. [30] In een ander geval had de rechtsvoorganger van de vermeend bezitter het litigieuze perceel (een strook gemeentegrond) van de gemeente in bruikleen gehad en was onduidelijk of deze overeenkomst was beëindigd. [31] Een aparte categorie gevallen betreft de situatie waarin degene die als huurder van een woning met tuin een aanpalende strook gemeentegrond in gebruik heeft gehad in de veronderstelling dat deze bij het gehuurde behoort, dit gebruik ongewijzigd voortzet nadat hij de woning in eigendom heeft verworven. Uw Raad sanctioneerde het oordeel dat in zo’n geval geen sprake was van ondubbelzinnig bezit. [32] In lijn met het voorgaande werd voorts geoordeeld dat de eigenaar van een erf
aniet kan worden gekwalificeerd als ondubbelzinnig bezitter van een beperkt recht op datzelfde erf
a(erfdienstbaarheid ten behoeve van door hem gebruikt aanpalend heersend erf
b) [33] en dat degene die op grond van bepaalde omstandigheden (plaatsen van een recreatiewoning) bezit heeft geclaimd van de eigendom van een erf, niet op grond van diezelfde omstandigheden kan worden aangemerkt als ondubbelzinnig bezitter van een opstalrecht op dat erf. [34]
verdedigbareveronderstelling verkeert dat de persoon die zijn onroerende zaak gebruikt dit doet als zakelijk of persoonlijk gerechtigde. Dat is niet het geval indien de (objectieve) eigenaar geen enkele reden heeft om te denken dat de occupant als huurder, erfpachter etc. gebruik maakt van zijn grond. [36] Wanneer vaststaat dat de vermeende bezitter niet krachtens een al dan niet bestaande rechtsverhouding voor een ander houdt, kunnen bepaalde daden derhalve niet als bezitsdaden diskwalificeren op de enkele grond dat deze in het algemeen ook door een persoonlijk of beperkt gerechtigde bevoegdelijk zouden kunnen worden verricht. [37]
enige aanleidingbestaat voor de aanname dat bij het uitoefenen van de feitelijke machtsuitoefening over het goed ook kan worden gehandeld krachtens een al dan niet vermeend beperkt of persoonlijk recht.
in casu” niet duiden op de pretentie van eigendom zonder nadere toelichting niet begrijpelijk omdat, naar ook [eiser] c.s. hebben aangevoerd, de Gemeente zeer goed weet of zij heeft verhuurd en zij in ieder geval nimmer het standpunt heeft ingenomen dat [eiser] c.s. de grote gele strook in gebruik hadden krachtens enige overeenkomst met de Gemeente [39] en ook anderszins niet is gesteld of gebleken dat de Gemeente een concrete aanleiding had om te veronderstellen dat [eiser] c.s. de strook gebruikten krachtens enig al dan niet vermeend (huur)recht. De daarop gerichte klachten van onderdeel 1 onder
b)slagen.
b)brengt mee dat de klachten van
onderdeel 1 onderc)geen afzonderlijke bespreking behoeven.
erkenddat de rechtsvoorgangers van [eiser] c.s. de stootrand hebben aangebracht, welke erkenning besloten zou liggen in de betwisting door de Gemeente dat het aanleggen van een stootrand een bezitsdaad is omdat dit een handeling is die ook door een huurder etc. kan worden verricht (verwezen wordt naar CvA sub 5.4, p. 9).
indienverricht door een pretense bezitter, niet als bezitsdaad kwalificeert. Het heeft in de onderhavige context niet moeten begrijpen dat de Gemeente tevens erkent dat de stootrand in kwestie daadwerkelijk
isaangebracht door de rechtsvoorganger van [eiser] c.s.