ECLI:NL:PHR:2015:521
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling leeftijdsgrens scholingsuitgaven in Wet inkomstenbelasting 2001 op verboden leeftijdsdiscriminatie
Belanghebbende startte op 32-jarige leeftijd een opleiding tot verkeersvlieger en claimde in de aangifte IB/PVV 2009 een persoonsgebonden aftrek van €44.057 aan scholingsuitgaven. De Inspecteur beperkte de aftrek tot €15.000 vanwege de standaardstudieperiode van maximaal zestien kwartalen tussen 18 en 30 jaar. Belanghebbende stelde dat deze leeftijdsgrens een verboden leeftijdsdiscriminatie inhoudt.
De Rechtbank en het Hof verklaarden het beroep ongegrond, stellende dat de wetgever met de leeftijdsgrens aansluiting zocht bij de Wet Studiefinanciering 2000 en dat de regeling een redelijke rechtvaardiging kent. De Hoge Raad toetst de regeling aan artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro, die discriminatie op grond van leeftijd verbieden, en bevestigt dat hoewel er sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, deze binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever valt.
De wetgever motiveert de leeftijdsgrens met het doel om studeren primair te laten plaatsvinden in de jongere levensfase, waarbij ouderen meer eigen verantwoordelijkheid dragen en eerder gebruik konden maken van overheidsfaciliteiten. De Hoge Raad erkent dat het onderscheid objectief en redelijk gerechtvaardigd is en voldoet aan het noodzakelijks- en proportionaliteitsbeginsel. De conclusie van de Advocaat-Generaal en Hoge Raad is dat het beroep in cassatie ongegrond is.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de leeftijdsgrens in artikel 6.30 Wet IB 2001 wordt als gerechtvaardigd beoordeeld.