Conclusie
“De raadsman deelt mede:
De officier van justitie deelt mede:
rechtbankonderbreekt hierop het onderzoek voor beraad in raadkamer. Na hervatting deelt de voorzitter mede:
De raadsman deelt daarop mede:
rechtbankschorst hierop de behandeling ter terechtzitting voor zover betrekking hebbend op [betrokkene 1] en [betrokkene 2], onder mededeling dat het wrakingsverzoek zo spoedig mogelijk zal worden behandeld door een wrakingskamer en dat het onderzoek met betrekking tot die feiten na de beslissing in het wrakingsincident zal worden voortgezet, dan wel door een andere kamer zal worden aangevangen.
“Schending van het recht op een eerlijk proces nader bekeken
'Verdachten en zijn mededaders hebben de vrouwen (...) door het aanwenden van fors en grof geweld, dan wel dreiging daarmee, gedwongen om voor hen in de prostitutie te gaan werken en vervolgens ook te blijven werken. (...)
Zelfde materiële feit
Zelfde strafdossier
Zelfde tempus delicti
Zelfde locus delicti
Zelfde belastende getuigen
Modus operandi
'De modus operandi komt sterk overeen met de modus operandi bij de andere vrouwen'.Dat vaste stramien van de cliënt verweten gedragingen is ook terug te vinden in de feitelijkheden zoals per vrouw steeds ten laste is gelegd. Dat vaste stramien van gedragingen is ook terug te vinden in de tenlastlegging rond de vrouwen [betrokkene 1] en [betrokkene 2].
Verzoek van de raadsman tot terugwijzing naar de rechtbank ex artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering
absence of (c.q.
“subjectively free of personal”) prejudice or bias” – geldt als uitgangspunt dat onpartijdigheid moet worden aangenomen “
until there is proof to the contrary”. Een gebrek aan onbevangenheid kan blijken uit hetzij (objectief) eerdere uitspraken of beslissingen van de rechter, hetzij (subjectief) uit de met zijn persoon samenhangende omstandigheden. In dat verband wordt dan ook doorgaans een onderscheid gemaakt tussen het persoonlijke of subjectieve aspect en het objectieve of functionele aspect [5] , hoewel beide aspecten elkaar kunnen overlappen en voorts daaromheen nog een schijn van partijdigheid kan hangen, al dan niet gevoed door bepaalde
appearances. De toenmalige A-G Wortel attendeerde in zijn conclusie voorafgaand aan HR 25 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3785, NJ 2008/211 erop dat het EHRM zijn vrij duidelijke onderscheid tussen subjectieve en objectieve vooringenomenheid in met name zijn uitspraak in de zaak Mathony tegen Luxemburg leek te hebben prijsgegeven door ook aan de (objectieve) schijn van partijdigheid een rol van betekenis toe te kennen. [6]
dezelfde zaaktegen
dezelfde verdachtebetrokken geweest bij
pre-trial decisions(zoals het bevelen of verlengen van voorlopige hechtenis). Voorbeelden daarvan in de rechtspraak uit Straatsburg zijn: EHRM 24 augustus 1993, ECLI:NL:XX:1993:AD1936, NJ 1993/650 m.nt. Alkema (Nortier tegen Nederland); EHRM 24 mei 1989, ECLI:NL:XX:1989:AD0800, NJ 1990/627 m.nt. Van Dijk (Hauschildt tegen Denemarken); en EHRM 17 januari 2012, appl.no. 5612/08, NJB 2012/774 (Alony Kate tegen Spanje). [10] In de Nortier-zaak ging het om een Nederlandse kinderrechter die niet alleen als zittingsrechter (unus) op de strafzaak had gezeten, maar die ook in de hoedanigheid van rechter-commissaris Nortier (toen vijftien jaar oud) had verhoord en diens inbewaringstelling had gelast en in de hoedanigheid van enkelvoudige raadkamer diens gevangenhouding had bevolen. Deze driedubbele rol van de kinderrechter leverde naar het oordeel van het EHRM geen schending van art. 6, eerste lid, EVRM op, nu de belangen van Nortier waren verdedigd door een advocaat, die hem in alle stadia van de procedure had bijgestaan, en er bovendien hoger beroep bij een strafkamer met drie raadsheren open had gestaan (§ 36). In dit opzicht stelt het EHRM zich beduidend soepeler op dan de Hoge Raad bij functiecumulatie. [11] In de Hauschildt-zaak oordeelde het EHRM dat in het algemeen de eerdere betrokkenheid van een rechter bij
pre-trial decisionsniet de vrees rechtvaardigt dat die rechter bevooroordeeld is, maar dat
special circumstancesdit anders kunnen maken. Een toetssteen daarbij is de “scope and nature” van de onderscheidene beslissingen.
pre-trial decision. De onderhavige zaak kenmerkt zich hierdoor dat twee leden van de rechtbank betrokken waren bij het onderzoek ter terechtzitting en het wijzen van het vonnis in
twee verschillende zaken(Sneep 1 en Sneep 1,5) die tegen één en dezelfde verdachte, te weten verzoeker, liepen. De situatie waarin de rechter betrokken is geweest bij ook een andere zaak tegen dezelfde verdachte wordt in Melai/Groenhuijsen besproken. Samenvattend wordt daarin gesteld dat zelfs wanneer in dat geval de verschillende rechtszaken nauw met elkaar verbonden zijn, zoals in casu, klachten daarover weinig kans op succes hebben bij de Straatsburgse instanties: “De soms kritische houding van Commissie en Hof als een rechter in verschillende fase’s van een en dezelfde zaak betrokken is, wordt dus niet doorgetrokken naar de situatie dat de rechter in verschillende zaken tegen dezelfde klager betrokken is.” [14] Daarbij wordt gewezen op het arrest EHRM 24 november 1986, appl.no. 9063/80 (Gillow tegen het Verenigd Koninkrijk):