Conclusie
LJNBQ4724). De termijn uit artikel 24 Uitvoeringsbesluit Pro Wjz waarbinnen een aanspraak tot gelding moet worden gebracht van (ten hoogste) dertien weken, is komen te vervallen (KB van 31 oktober 2007,
Stb. 446). De klacht van de minderjarige over de geldigheid van het indicatiebesluit faalt.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 7 van de bestreden beschikking. Volgens het onderdeel neemt de overweging van het hof dat art. 1:262 lid 3 BW Pro niet van toepassing is en dat de termijn van art. 24 Uitvoeringsbesluit Pro Wjz is komen te vervallen, niet weg dat Jeugdzorg op grond van art. 6 lid Pro 1, onder d, Wjz nog steeds gehouden was om in haar besluit de termijn aan te geven waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht. Volgens het onderdeel leidt de niet-tenuitvoerlegging binnen de ‘verzilveringstermijn’ op grond van art. 6 lid 3 Wjz Pro tot verval van de aanspraak. Het hof heeft dit miskend dan wel onvoldoende gemotiveerd waarom de ‘verzilveringstermijn’ niet in het besluit behoefde te worden opgenomen.
Onderdeel 2is gericht tegen rov. 8 van de bestreden beschikking en valt in drie klachten uiteen. In de eerste klacht wordt betoogd dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting inzake art. 29b lid 5 Wjz is uitgegaan, nu vaststaat dat de gedragswetenschapper de minderjarige wegens feitelijke onmogelijkheid (een onbekende verblijfplaats) niet in eigen persoon heeft onderzocht. De klacht betoogt dat art. 29b lid 5 Wjz strikt moet worden toegepast en dat het hof heeft miskend dat in het geval van feitelijke onmogelijkheid de weg van de voorlopige machtiging van art. 29c Wjz moet worden bewandeld. De tweede klacht voert aan dat het hof heeft miskend dat de afgifte van een machtiging tot gesloten plaatsing slechts rechtmatig is wanneer dit geschiedt volgens de wettelijk voorgeschreven procedure en waarborgen. Volgens deze klacht had het hof, nu uit de beschikking blijkt dat de verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van de zitting bij het hof bekend was, Jeugdzorg kunnen opdragen alsnog een onderzoek door de gedragswetenschapper te laten plaatsvinden of in het geding te brengen. De derde klacht betoogt dat het hof in rov. 8 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een onderzoek van de minderjarige in eigen persoon door een gedragswetenschapper tot 7 oktober 2014 niet mogelijk was.