Uitspraak
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 oktober 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek van de officier van justitie om een voorlopige machtiging te verlenen voor opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De rechtbank Rotterdam wees het verzoek aanvankelijk af, maar verleende later bij beschikking van 9 april 2014 de machtiging op basis van een geneeskundige verklaring van 18 maart 2014.
Betrokkene stelde in hoger beroep dat de geneeskundige verklaring niet voldeed aan de wettelijke eis dat de psychiater betrokkene persoonlijk moet onderzoeken. De verklaring was opgesteld door een geneesheer-directeur en vermeldde dat het psychiatrisch onderzoek was verricht door een niet bij de behandeling betrokken psychiater, maar gaf geen blijk van persoonlijk contact met betrokkene.
De Hoge Raad oordeelde dat ingevolge vaste rechtspraak de psychiater betrokkene persoonlijk moet onderzoeken en dat uit de verklaring moet blijken dat dit is gebeurd. De verklaring van 18 maart 2014 voldeed hier niet aan, waardoor de beschikking van de rechtbank Rotterdam onjuist was. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens het ontbreken van bewijs van persoonlijk onderzoek door de psychiater en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.