Conclusie
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt over de verwerping van het Hof op een ter terechtzitting in hoger beroep gedaan beroep op de (gedeeltelijke) nietigheid van de tenlastelegging met betrekking tot het onder I (hoofdletters A t/m H) tenlastegelegde “anders dan om zakelijke redenen” nu deze in de tenlastelegging omschreven beoogde tegenprestatie voor tweeërlei uitleg vatbaar is (immers zowel handelen in strijd met de ambtsplicht kan opleveren als handelen dat niet in strijd is met de ambtsplicht).
“Geldigheid van de dagvaarding
a, eerste lid, Sr. Daarvan is verzoeker vrijgesproken. Beide artikelen zien op het een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst te verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of niet te doen. Het verschil zit enkel hierin dat art. 177, eerste lid, Sr betrekking heeft op het geval dat de ambtenaar daarmee in strijd met zijn plicht iets doet of nalaat, terwijl art. 177a Sr het oog heeft op een gedraging van de ambtenaar zonder dat deze daarmee in strijd met zijn plicht raakt. Omdat het onder II tenlastegelegde in cassatie verder geen rol speelt, laat ik de weergave daarvan achterwege.
tweede middelborduurt voort op de uitleg die de verdediging aan de tenlastelegging onder I heeft willen geven, te weten dat in de feitelijke omschrijving daarvan ook ruimte is gelegen voor handelingen die
nietin strijd met de ambtsplicht zijn verricht. Het Hof heeft telkens bewezenverklaard dat verzoeker door giften (in geld of natura) heeft willen bereiken dat de betrokken ambtenaren het bedrijf [A] BV zouden begunstigen. Het begunstigen is door de opsteller van de tenlastelegging onder I, en zo ook door het Hof in de bewijsvoering, beperkt tot handelingen die de ambtenaren zouden moeten doen (en hebben gedaan) als tegenprestatie in strijd met hun plicht. Ik herhaal nog eens dat de tenlastelegging onder I is gegrond op art. 177, eerste lid, Sr dat kortgezegd het omkopen van ambtenaren strafbaar stelt teneinde hen te bewegen iets te doen of nalaten in strijd met hun plicht, bijvoorbeeld het doorgeven van vertrouwelijke informatie. Niet aan de tenlastelegging onder I ten grondslag gelegd is het paaien en fêteren van ambtenaren om iets te doen of na te laten dat niet in strijd is met hun plicht, bijvoorbeeld het vergunnen van een opdracht (art. 177a Sr).
derde middelklaagt dat het Hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv zonder dat het Hof heeft voldaan aan de te dien aanzien geldende responsieplicht.
fictieveopdracht verstrekt waarna verzoeker en [A] een
valseofferte hebben opgemaakt. Het behoeft, lijkt mij, geen betoog dat het verstrekken van een fictieve opdracht en het opmaken van een valse offerte door een ambtenaar van de provincie in strijd is met zijn (ambts)plicht.
vierde middelklaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat het Hof in de bewijsoverwegingen het oogmerk heeft gebaseerd op “een collectieve redenering met betrekking tot enerzijds de frequentie en de omvang van alle bewezen verklaarde giften en anderzijds de essentiële positie (voor wat de toebedeling van werken betreft) van alle betrokken ambtenaren” en aldus het oogmerk heeft losgekoppeld van de tenlastegelegde tegenprestaties, waarmee het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, althans waardoor ’s Hofs bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is of, minst genomen, onvoldoende met redenen is omkleed.
vijfde middelklaagt dat het Hof verzoeker heeft vrijgesproken van de in de tenlastelegging opgenomen tegenprestaties, maar deze toch in de bewijsoverwegingen heeft opgenomen, zodat het bewijsoordeel van het Hof innerlijk tegenstrijdig is, althans het Hof daarmee minst genomen de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.