Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
19 mei 2015.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, met vermindering daarvan. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden, aangezien meer dan twee jaren waren verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de straf en stelde de straf vast op 23 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 23 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, wegens overschrijding van de redelijke termijn.