Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
ex legeof one parent (Article 6, paragraph 1.a); and
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat centraal of een brief van de Minister van Justitie kan dienen als een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap in de zin van artikel 15 lid 4 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN), waarmee de verliestermijn van tien jaar verblijf in het buitenland kan worden gestuit.
De betrokkene, geboren in 1978 en van Ghanese afkomst, verkreeg via haar moeder de Nederlandse nationaliteit door optie in 1985. Vanaf 1 april 2003 verbleef zij onafgebroken buiten Nederland, waardoor volgens art. 15 lid 1 sub c RWN Pro haar Nederlandse nationaliteit na tien jaar verloren zou gaan, tenzij de termijn werd gestuit door een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap.
De rechtbank had geoordeeld dat de brief van 26 januari 2009 van de minister als zodanige verklaring kon gelden, waardoor de termijn werd gestuit. De Hoge Raad oordeelt echter dat artikel 61 lid 1 Besluit Pro verkrijging en verlies Nederlanderschap (BVVN) een limitatieve opsomming geeft van documenten die als verklaring gelden, en dat de brief niet in deze opsomming voorkomt.
De Hoge Raad stelt vast dat de nationaliteit derhalve per 1 april 2013 verloren is gegaan. Tevens bespreekt de conclusie de verhouding van de nationale regeling tot het Europees Verdrag inzake Nationaliteit (EVN), waarbij wordt bevestigd dat de verliesgrond verenigbaar is met het verdrag en dat het verdrag geen directe werking heeft die de nationale regeling zou beperken.
De zaak benadrukt het belang van rechtszekerheid en de strikte uitleg van documenten die de verliestermijn kunnen stuiten.
Uitkomst: De Nederlandse nationaliteit van de betrokkene is per 1 april 2013 verloren wegens tien jaar onafgebroken verblijf in het buitenland zonder geldige stuiting van de verliestermijn.