ECLI:NL:RVS:2013:2401
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens gebruik valse persoonsgegevens
Appellante heeft tijdens haar naturalisatieprocedure valse persoonsgegevens gebruikt, wat onbetwist is gebleven. De minister van Justitie heeft daarop het eerder verleende Nederlanderschap ingetrokken. Appellante stelde dat de termijn voor intrekking volgens artikel 69 van Pro het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap fataal was overschreden en dat dit haar positie onredelijk benadeelde.
De rechtbank oordeelde dat de termijn niet fataal is en dat de staatssecretaris bevoegd bleef tot intrekking. Ook werd geoordeeld dat het Europees Verdrag inzake nationaliteit en het EVRM-artikel 6 geen Pro directe toepassing of relevantie boden voor het betoog van appellante. De Raad van State bevestigt deze oordelen en wijst de argumenten van appellante af.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeert dat de intrekking in redelijkheid heeft plaatsgevonden, mede gelet op het bedrog met valse persoonsgegevens. Het feit dat appellante niet kon profiteren van een regeling voor eenmalige correctie van identiteit komt voor haar risico. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Maastricht wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van het Nederlanderschap bevestigd.