“Op 15 mei 2013, omstreeks 12.00 uur, zat [betrokkene 2] (aangever) op de Sint Servaasweg te Eindhoven in zijn auto, merk Renault, te wachten op zijn vriendin, [betrokkene 1]. De schoudertas van [betrokkene 1] lag in de auto van [betrokkene 2] op de vloer aan de bijrijderszijde. [betrokkene 2] zag op dat moment dat een Seat Leon voorbij reed, remde en stopte, en dat onder meer [verdachte] (verdachte) en diens broer [betrokkene 3] uit de Seat stapten. [betrokkene 2] zag dat [verdachte] en [betrokkene 3] in zijn richting kwamen gelopen. [betrokkene 2] zag dat [verdachte] het portier aan de bestuurderszijde van de auto opende en dat [betrokkene 3] naar de bijrijderskant liep en het portier van de auto van [betrokkene 2] aan de bijrijderszijde opende. [betrokkene 2] zag dat [betrokkene 3] de tas van [betrokkene 1] pakte en de portemonnee van [betrokkene 1] uit de tas pakte. Hierop is [betrokkene 2] uit de auto gestapt en in de richting van [betrokkene 3] gelopen. [betrokkene 2] zag toen dat [betrokkene 3] de portemonnee van [betrokkene 1] open maakte, geld uit de portemonnee pakte en in zijn broekzak stopte, waarna hij de portemonnee uit de handen van [betrokkene 3] rukte. [betrokkene 2] liep daarop verder in de richting van [betrokkene 3]. [betrokkene 2] zag toen dat [verdachte] voor hem kwam staan, zijn lederen riem uit zijn broek haalde en die riem om zijn hand begon te draaien. [betrokkene 2] zag dat [verdachte] zijn hand, waar de riem omheen gedraaid was, tot een vuist balde. [betrokkene 2] zag dat [betrokkene 3] terug liep naar de Seat Leon, instapte en wegreed.
De getuige [getuige 1] bevond zich op 15 mei 2013 omstreeks 12.00 uur in haar woning te Eindhoven, toen zij mensen hoorde schreeuwen. Zij is daarop uit het raam gaan kijken en zag dat een zwarte auto, merk Renault, geparkeerd stond op de Sint Servaasweg. De getuige [getuige 1] zag een aantal mannen staan die ruzie hadden. De ruzie ging voornamelijk tussen twee mannen samen tegen één andere man. De getuige zag dat één van de twee mannen het portier van de auto opende, een tas uit de auto pakte en met zijn handen in de tas rommelde. De getuige zag dat de man vervolgens de tas liet vallen en een portemonnee vast hield en iets uit de portemonnee pakte. De getuige [getuige 1] heeft toen haar telefoon gepakt en is gaan filmen wat er gebeurde. De getuige [getuige 1] zag vervolgens dat één van de twee mannen zijn broeksriem uit zijn broek haalde en om zijn hand draaide. Volgens de getuige kwam de man door zijn houding erg dreigend over.
Ook de getuige [getuige 2], die op 15 mei 2013 omstreeks 12.00 uur over de Sint Servaasweg te Eindhoven liep, zag en hoorde dat enkele mannen ruzie hadden. De getuige [getuige 2] zag verder dat een man een broeksriem om zijn hand had gedraaid en die hand omhoog hield alsof hij wilde gaan slaan.
De door getuige [getuige 1] gemaakte videobeelden zijn door haar aan de politie verstrekt. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben de videobeelden bekeken. Zij herkenden op de beelden onder meer [verdachte] (verdachte) en [betrokkene 2] (aangever). De verbalisanten zagen verder een persoon met een zwarte jas, die een portemonnee vasthad en daar iets uitpakte. Vervolgens zagen de verbalisanten dat [verdachte] zijn broeksriem losmaakte, afdeed en om zijn hand wikkelde. De verbalisanten zagen dat [verdachte] op dat moment tegenover [betrokkene 2] staat en dat [verdachte] even later zijn arm omhoog heft en lijkt te gaan slaan. [betrokkene 2] staat op dat moment een halve meter voor [verdachte].
(…)
Aan de verdediging kan worden toegegeven dat niet is gebleken van enige vooraf gemaakte afspraak tussen [betrokkene 3] en de verdachte om [betrokkene 2] of [betrokkene 1] te bestelen en dat niet met genoegzame zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte moet hebben gezien dat [betrokkene 3] de tas van [betrokkene 1] uit de auto van aangever heeft gepakt en de portemonnee van [betrokkene 1] uit die tas heeft genomen. In zoverre gaat het hof met de verdediging mee in de stelling dat een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [betrokkene 3] niet is komen vast te staan. Dat, zoals aangever verklaart en ten laste is gelegd, de verdachte aan aangever heeft gevraagd "Waar is die kuthoer?" en vervolgens gezegd heeft "We hebben alle Polen en Marokkanen geïnstrueerd om jullie te slopen als ze jullie zien", kan daarom volgens het hof niet gezien worden als een aan de diefstal van een hoeveelheid geld voorafgaande en daarop betrekking hebbende bedreiging met geweld. Om die reden kan ook het door de verdachte van achteren bij de arm vastpakken van aangever, waarover deze verklaart, niet gezien worden als een bijdrage van de verdachte aan die diefstal. Aan de verdediging kan voorts worden toegegeven dat niet is komen vast te staan dat de verdachte aan de feitelijke wegneming door [betrokkene 3] van een hoeveelheid geld uit de portemonnee van [betrokkene 1] een actieve bijdrage heeft geleverd. Anders dan de verdediging is het hof echter van oordeel dat de verdachte deze gedraging van [betrokkene 3] wel heeft gezien. Het hof leidt dit af uit één van de prints van de door de getuige [getuige 1] met haar telefoon gemaakte videobeelden, waarop een drietal manspersonen te zien is. Het hof stelt vast, aan de hand van de door aangever in de aangifte opgegeven signalementen van de verdachte en [betrokkene 3] en de beschrijving van de kleding die aangever op 15 mei 2013 droeg, dat de verdachte de persoon aan de linkerzijde is en dat aangever en [betrokkene 3] aan de rechterzijde staan, waarbij laatstgenoemde schuin vóór aangever staat. Op de print is verder te zien dat [betrokkene 3] met beide handen een voorwerp vast heeft. Volgens het hiervoor genoemde proces-verbaal van bevindingen is dat voorwerp een portemonnee, waar [betrokkene 3] (de man met de zwarte jas) "iets" uitpakt. Ten slotte is op de print te zien dat de verdachte op heel korte afstand van aangever en [betrokkene 3] staat en in de richting van de handen van laatstgenoemde kijkt. Het hof leidt hieruit af dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte heeft gezien dat, zoals blijkt uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, [betrokkene 3] een portemonnee in zijn handen heeft en er "iets" uitpakt (namelijk een hoeveelheid geld) en dat [betrokkene 2] de portemonnee vervolgens uit de handen van [betrokkene 3] rukt. Uit dit samenstel van gedragingen leidt het hof af dat de verdachte moet hebben geweten dat het geld, dat [betrokkene 3] uit de portemonnee pakte, niet aan hem, [betrokkene 3], toebehoorde. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte vervolgens zijn broeksriem ter hand neemt, om zijn hand wikkelt en een dreigende houding aanneemt en even later zijn arm omhoog doet en lijkt te gaan slaan. (…)
Het hof hecht geen waarde aan de stelling van de verdediging dat de verdachte zijn gebalde vuist slechts heeft opgeheven ter afdreiging en zelfbescherming vanwege zijn bekendheid met het onberekenbare gedrag van [betrokkene 2] en stelt deze als onaannemelijk ter zijde. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte bij zijn verhoor door de politie, hoewel hij toen reeds stelde valselijk beschuldigd te worden, zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen en hieromtrent niets heeft verklaard terwijl dat toch voor de hand had gelegen alsmede dat de verdachte vervolgens niet consistent heeft verklaard over de reden om zijn riem om zijn hand te draaien en zijn arm dreigend op te heffen. Tegenover de rechter-commissaris verklaarde de verdachte immers dat hij een riem om zijn hand had gewikkeld "ter bescherming van mijzelf omdat die [betrokkene 2] (hof: bedoeld wordt aangever [betrokkene 2])
een aanvallende houding of beweging aannam of maakte", terwijl de verdachte ter terechtzitting van de politierechter verklaarde: "Ik heb op een gegeven moment een riem om mijn hand gedaan. Ik wilde me kunnen verdedigen
in het geval mijn oom weer rare dingen zou gaan doen" (onderstreping hof).
Dit betekent naar het oordeel van het hof dat, gezien de omstandigheid dat de verdachte wist dat [betrokkene 3] geld uit de portemonnee had weggenomen, aan de bedreigende gedragingen van de verdachte - het voor [betrokkene 2] gaan staan, het ter hand nemen van zijn broeksriem en deze om zijn hand draaien, en het omhoog heffen van zijn hand, als wilde hij daarmee slaan - geen andere betekenis kan worden toegekend dan te zijn gericht op hetzij het [betrokkene 3] of zichzelf mogelijk maken te vluchten hetzij het veiligstellen van het weggenomen geld.
Het hof acht derhalve bewezen dat de verdachte dusdoende het oogmerk heeft gehad op de verwezenlijking van de diefstal van een hoeveelheid geld, zodat de verdachte als medepleger voor die diefstal medeverantwoordelijk kan worden gehouden.”