Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof de bewezenverklaring van feit 1 mede heeft gebaseerd op bewijsmiddelen die een andere periode dan de bewezenverklaarde pleegperiode beslaan nu het Hof ervan uitgaat dat de foto’s van [benadeelde partij 2] in de maand mei 2009 zijn vervaardigd.
tweede middelklaagt over de motivering van het onder 2 bewezenverklaarde en behelst in de kern de klacht dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv.
derde middelbevat de klacht dat de bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan politiële controles van zijn computer(s) en andere apparatuur waarop afbeeldingen (kunnen) zijn opgeslagen strijdig is met het in art. 8 EVRM Pro verankerde recht op privacy (family life).
Het toepasselijke wettelijke voorschrift art. 14c Sr is in de periode tussen het plegen van de feiten en de berechting daarvan enkele malen gewijzigd.
“Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden is het openbaar ministerie belast.”
“1. De rechter die de voorwaarde heeft gesteld kan hetzij na de ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de veroordeelde de proeftijd verkorten of deze éénmaal verlengen. De verlenging geschiedt met ten hoogste twee jaren.
2. Evenzo kan de in het eerste lid bedoelde rechter gedurende de proeftijd of gedurende de tijd dat deze is geschorst in de gestelde bijzondere voorwaarden of in de termijn waartoe deze voorwaarden in haar werking binnen de proeftijd zijn beperkt wijziging brengen, deze voorwaarden opheffen, alsnog bijzondere voorwaarden stellen en een opdracht als bedoeld in artikel 14d geven, wijzigen of opheffen.”
vierde middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat het aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2009 nu de benadeelde partij geen rol speelt bij het onder 2 bewezenverklaarde feit.
VORDERING BENADEELDE PARTIJ