ECLI:NL:PHR:2015:2559

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2015
Publicatiedatum
26 januari 2016
Zaaknummer
15/01521
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SvArt. 449 SvArt. 450 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste toepassing volmachtsvereisten bij hoger beroep

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter. De Hoge Raad onderzoekt de rechtsgeldigheid van de schriftelijke volmacht waarmee hoger beroep werd ingesteld. De volmacht was niet door de advocaat zelf, maar door diens secretaresse ondertekend, wat volgens vaste rechtspraak niet voldoet aan de wettelijke vereisten.

De Hoge Raad herhaalt dat een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen aan strikte eisen moet voldoen, waaronder de ondertekening door de advocaat die door verdachte is gemachtigd. Echter, indien verdachte of een gemachtigde raadsman bij de terechtzitting verschijnt en verklaart dat het hoger beroep de wens van verdachte weerspiegelt, kan een gebrekkige volmacht voor gedekt worden gehouden.

In deze zaak was de volmacht ondertekend door de secretaresse van de advocaat, en verschenen zowel verdachte als de advocaat bij de terechtzitting, waarbij zij ontvankelijkheid bepleitten. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende aandacht heeft besteed aan deze omstandigheden en vernietigt het arrest. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep op de bestaande stukken.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het hoger beroep.

Conclusie

Nr. 15/01521
Mr. Machielse
Zitting 22 december 2015
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft op 4 februari 2015 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Utrecht van 13 oktober 2014.
2. Mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede , heeft cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte geen proces-verbaal van de terechtzitting heeft opgemaakt. Het derde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte het arrest niet heeft uitgesproken in een openbare zitting. Op beide gronden is, zo stelt de schriftuur, het arrest nietig. Beide middelen lenen zich - gelet op het volgende - voor een gezamenlijke bespreking.
3.2. Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegekomen bevindt zich een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof, enkelvoudige strafkamer, van 24 februari 2015. Dat proces-verbaal houdt ook in dat het hof het arrest ter openbare terechtzitting uitspreekt. Beide middelen missen dus feitelijke grondslag.
4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Gelet op recente rechtspraak van de Hoge Raad dient soepeler met verzuimen en vergissingen bij het instellen van een rechtsmiddel te worden omgegaan dan voorheen. Het hof heeft deze rechtspraak miskend. De beslissing van het hof getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting.
4.2. Artikel 449, lid 1, Sv heeft de volgende inhoud:
"1. Voor zover de wet niet anders bepaalt, wordt hoger beroep of beroep in cassatie ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven."
Het eerste lid van artikel 450 Sv Pro luidt aldus:
"Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:
a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;
b. een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd."
4.3. Het arrest van het hof houdt het volgende in:
"
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Vaste rechtspraak is dat artikel 450 van Pro het Wetboek van Strafvordering meebrengt dat bij schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker hoger beroep kan worden ingesteld indien deze volmacht aan bepaalde vereisten voldoet. Deze vereisten zijn neergelegd in HR 22 december 2009, ECL1:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102 en recent in HR 17 februari 2015, ECLI: NL: HR: 2015: 327. De aangescherpte rechtspraak en volmachtsvereisten laten onverlet dat de raadsman hoger beroep moet instellen. Dit vereiste is onverkort van kracht en kan niet worden gerelativeerd tegen de achtergrond van een eventuele verklaring van verdachte dat hij het hoger beroep had willen instellen. De brief van advocatenkantoor Boone van 21 oktober 2014, waarin aan een griffiemedewerker van de rechtbank Midden-Nederland een bijzondere volmacht is gegeven om hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis, waarvan beroep, is niet ondertekend door de raadsman van verdachte, maar door zijn secretaresse. Het hoger beroep van verdachte is derhalve niet ingesteld op de bij de wet voorgeschreven wijze en daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."
4.4. Op 21 oktober 2014 is een appelakte opgemaakt waarbij een ambtenaar van de griffie van de rechtbank Midden-Nederland, daartoe gemachtigd blijkens een aan de akte gehechte brief, welke dient te worden beschouwd als bijzondere volmacht, verklaarde namens verdachte hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis van de politierechter. Aan deze akte is een faxbericht gehecht dat het volgende inhoudt:
"Edelachtbare Heer,
In bovenvermelde zaak verzoek ik u
uiterlijk 23 oktober 2014hoger beroep aan te tekenen. Hiertoe bepaaldelijk door cliënt gevolmachtigd, geef ik hierbij een bijzondere volmacht aan u, griffiemedewerker, om dit appèl aan te tekenen. Onderstaand treft u de gegevens aan.
naam [verdachte]
voornamen [...]
geboren op [geboortedatum] 1950 te [geboorteplaats]
wonende te [plaats]
adres [a-straat 1]
parketnr. 16/166958-14
datum vonnis 13 oktober 2014
Tevens verzoek ik u in de akte de volgende zinsnede op te nemen:
"alsmede voor zoveel nodig tegen daarnaast gegeven beslissingen"
Gaarne ontvang ik van u de akte rechtsmiddel.
U dankzeggend voor de door u te nemen moeite, verblijf ik,
hoogachtend,
uw dw.,
J.B. Boone"
Boven de naam van de advocaat is in deze faxbrief in handschrift geschreven: "p/o [...] secr".
4.5. In HR 22 december 2009, NJ 2010, 102 m.nt. Borgers heeft de Hoge Raad met een verwijzing naar de wetsgeschiedenis de voorwaarden geformuleerd waaraan voldaan moet zijn wil een advocaat door middel van een schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker rechtsgeldig hoger beroep kunnen instellen. De schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen moet inhouden:
( i) de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv);
(ii) de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 450, derde lid, Sv);
(iii) het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (art. 450, derde lid, Sv).
Deze eisen passen bij de bedoeling van de wetgever om de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep aan te scherpen om zo problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaarding te voorkomen of te verminderen. Daarom is een hoger beroep niet-ontvankelijk als de schriftelijke volmacht van de advocaat aan de griffie niet aan alle voorwaarden voldoet en ter terechtzitting in hoger beroep verdachte noch een gemachtigd advocaat verschijnt. Maar als ter terechtzitting in hoger beroep verdachte of een gemachtigd advocaat wel verschijnt en deze dan, zo nodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd, verklaart dat aan de verlening van de gebrekkige volmacht de wens van verdachte ten grondslag lag om op rechtsgeldige wijze hoger beroep te doen instellen kan dat verzuim voor gedekt worden gehouden. [1]
4.6. Voor de onderhavige zaak lijkt mij HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:130 relevant. Verdachte, aan wie de inleidende dagvaarding in persoon was uitgereikt, was door de politierechter bij verstek veroordeeld. Een advocaat, mr. Maat, heeft een schriftelijke bijzondere volmacht verleend aan een medewerker van de griffie om hoger beroep in te stellen. Deze volmacht is "p/o" door een onbekende derde ondertekend en vermeldde ook een onjuist parketnummer. Naar aanleiding van deze volmacht is door het personeel van de griffie geen appel ingesteld. Een en ander is doorgegeven aan het advocatenkantoor. Vervolgens is nogmaals een schriftelijke bijzondere volmacht verleend aan een medewerker van de strafgriffie om hoger beroep in te stellen, met vermelding van het juiste parketnummer en ditmaal wel door mr. Maat ondertekend. Op grond van de tweede volmacht heeft het griffiepersoneel wel hoger beroep aangetekend. De gebrekkige volmacht was nog binnen de appeltermijn ontvangen, de correcte volmacht daarna. In appel is verdachte niet verschenen, wel mr. Maat die echter niet gemachtigd was. Omdat niet tijdig appel was ingesteld verklaarde het hof het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk.
In cassatie werd daarover geklaagd. Aan de schriftuur was een brief gehecht van een kantoorgenoot van mr. Maat, mr. Hoppenbrouwers, waarin deze bevestigde dat hij de eerste volmacht "p/o" had ondertekend. Mijn ambtgenoot mr. Bleichrodt concludeerde tot verwerping van het beroep en voerde daartoe onder meer het volgende aan:
"6. Wil er evenwel sprake zijn van een rechtsgeldige schriftelijke bijzondere volmacht in de zin van art. 450, eerste lid, onder a, Sv in verbinding met art. 450, derde lid, Sv, dan dient de advocaat die door de verdachte is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep deze zelf te ondertekenen. Deze advocaat mag niet een ander machtigen om de volmacht namens hem te ondertekenen. De griffie moet in het kader van de aanwending van rechtsmiddelen duidelijkheid worden geboden dat de volmacht tot het instellen van hoger beroep afkomstig is van een advocaat die op zijn of haar beurt door de verdachte daartoe bepaaldelijk is gevolmachtigd. In geval de desbetreffende advocaat de volmacht niet zelf ondertekent, ontbreekt de vereiste duidelijkheid. Door te verlangen dat de gevolmachtigde advocaat zelf voor ondertekening zorg draagt, wordt de kans dat buiten de wens van de verdachte om een rechtsmiddel wordt aangewend geminimaliseerd.
7. Daar wringt in de onderhavige zaak de schoen. Het faxbericht van 5 februari 2013 is niet ondertekend door de advocaat die door de verdachte bepaaldelijk was gevolmachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen (mr. Maat). In cassatie wordt een brief in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat de volmacht kennelijk is ondertekend door een kantoorgenoot van de door de verdachte gemachtigde advocaat. Deze advocaat heeft echter slechts “p/o” ondertekend. Ten overvloede merk ik nog op dat niet is gebleken dat mr. Hoppenbrouwers door de verdachte was gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen en dat evenmin is gebleken dat het ten tijde van het instellen van het hoger beroep voor de griffiemedewerker aan wie de volmacht was verleend en voor de griffier die de akte heeft opgemaakt kenbaar was dat de handtekening afkomstig was van een kantoorgenoot van mr. Maat."
Mr. Bleichrodt wees vervolgens op de meest recente rechtspraak van de Hoge Raad over de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen en de mogelijkheid om, wanneer verdachte of gemachtigd raadsman verschijnt op de zitting van de appelrechter en duidelijk wordt dat aan de onvolkomen volmacht de wens van verdachte ten grondslag ligt op rechtsgeldige wijze in hoger beroep te komen, gebreken in de volmacht voor gedekt te houden. Maar er moet dan wel een behandeling in hoger beroep op tegenspraak zijn. Dat was hier niet het geval. Bovendien is er wel correct hoger beroep ingesteld, maar na ommekomst van de appeltermijn. Omstandigheden die deze termijnoverschrijding zouden kunnen verontschuldigen zijn niet gebleken. De conclusie strekte tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad volgde zijn AG niet, maar overwoog:
"2.4.3. Het Hof heeft bij zijn oordeel dat namens de verdachte te laat hoger beroep is ingesteld niet kenbaar aandacht besteed aan de op 5 februari 2013 bij de griffie ingekomen bijzondere schriftelijke volmacht, de ondertekening van die brief en de samenhang met de door mr. Maat zelf ondertekende brief van 6 februari 2013. De omstandigheid dat de medewerker van de griffie niet op 5 februari 2013 een akte instellen hoger beroep heeft opgemaakt, maar eerst op 7 februari 2013, met aanhechten van de faxbrieven van 5 en van 6 februari 2013, kan de verdachte niet worden tegengeworpen.
Uit de bij de schriftuur overgelegde verklaringen, aan de juistheid en betrouwbaarheid waarvan niet getwijfeld behoeft te worden, is het de kantoorgenoot van mr. Maat, mr. M.R.P. Hoppenbrouwers, geweest die bij wege van confraternele hulp de brief van 5 februari 2013 "p/o mr. C. Maat" heeft ondertekend. Daaruit volgt dat geen onzekerheid bestaat dat een door de verdachte bepaaldelijk gemachtigde advocaat de bijzondere schriftelijke volmacht heeft verleend.
In die omstandigheden is het oordeel van het Hof dat tegen het vonnis van de Politierechter namens de verdachte "eerst op 7 februari 2013 hoger beroep is ingesteld" niet begrijpelijk."
4.7. In de onderhavige zaak is er echter geen sprake van confraternele hulp door degene die de volmacht aan de griffie heeft ondertekend. De volmacht is immers ondertekend door de secretaresse van mr. Boone, zoals mr. Boone ter terechtzitting van het hof ook heeft verklaard. Maar ter terechtzitting van het hof op 24 februari 2015 zijn zowel mr. Boone als verdachte verschenen. Mr. Boone heeft de ontvankelijkheid van het appel bepleit en verdachte heeft zich daarbij aangesloten.
Aldus doet zich de situatie voor dat degene die de griffie volmacht gaf om hoger beroep in te stellen niet de advocaat zelf was, maar de secretaresse die daartoe door de advocaat was gemachtigd. Verdachte heeft dus de advocaat gemachtigd en de advocaat heeft zijn secretaresse weer gemachtigd om een lid van het personeel van de strafgriffie te machtigen om hoger beroep in te stellen. En dat is een wat ander geval dan wanneer de advocaat in werkelijkheid zelf wel was gemachtigd tot het instellen van het hoger beroep en dit niet in de volmacht tot uitdrukking kwam. En de laatste situatie lag telkens voor in de gevallen waarin de Hoge Raad uiteindelijk het verzuim gedekt oordeelde. Dan bleek achteraf toch aan de wettelijke vereisten te zijn voldaan. Mijns inziens is letterlijk niet aan het wettelijk systeem voldaan als degene die het rechtsmiddel instelt, in de meeste gevallen de verdachte of diens advocaat, een derde niet-advocaat bij bijzondere volmacht schriftelijk machtigt om op zijn beurt weer iemand van de strafgriffie te machtigen om hoger beroep in te stellen. Alleen de verdachte of diens advocaat kunnen dat laatste doen. [2]
Maar bij mij is wel de gedachte gerezen of ook deze beperking aan het instellen van een rechtsmiddel niet kan worden gedeformaliseerd en wel aldus, dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard als er meer tussenschakels gemachtigd zijn dan wettelijk is bepaald, tenzij ter terechtzitting in hoger beroep verdachte of een gemachtigd advocaat verklaart dat het hoger beroep overeenkomstig de toenmalige wens van de verdachte is ingesteld. In zo'n geval is er geen sprake van onduidelijkheid over de bedoeling van verdachte en de wijze waarop deze bedoeling bij de griffie uiteindelijk bekend is geworden. Ik moet erkennen dat meer tussenschakels ook een risico in zich bergen dat bijvoorbeeld beperkingen aan het instellen van het rechtsmiddel verhoren gaan, maar dat risico komt voor rekening van degene die het rechtsmiddel aanwendt.
Zeker in een geval als dit, waarin vanwege een advocatenkantoor een routinehandeling wordt verricht die de advocaat/werkgever opdraagt, is de inschakeling van een secretaresse enerzijds zo vanzelfsprekend en anderzijds zo weinig bepalend voor het resultaat dat ik de stap naar ontvankelijkheid van het hoger beroep wel zou willen adviseren, zij het dat alle risico's die aan dat inschakelen verbonden zijn aan de advocaat uiteindelijk moeten kunnen worden toegerekend.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.HR 5 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2951; HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:132; HR 13 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1095.
2.HR 6 januari 1998, NJ 1998, 389; HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8528; HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG3458.