Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
Feitelijkveranderde er bij beide juridische gelegenheden niets aan het gebruik of het gebruiksdoel van het pand: het was en bleef een winkelpand dat al ruim daarvóór geen functie meer vervulde in de apotheekexploitatie (aar desondanks, gegeven HR BNB 2008/213, bedrijfsmiddel was gebeleven); het stond leeg en te koop en het bleef leeg en te koop.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
5.Behandeling van de middelen
middel Iworden aangesloten bij de kwalificatie op 1 januari 2007.
tweede middellijkt voort te bouwen op het eerste in die zin dat het er eveneens van uit lijkt te gaan dat de pandtoestand op 1 januari 2007 beslissend is. Voor zover het daarvan uitgaat, moet middel II het lot van middel I delen. Het tweede middel klaagt echter ook dat ’s Hofs oordeel dat de bedrijfsfusie een functiewijziging meebracht niet-begrijpelijk is.
Feitelijkgebeurde er bij de inbreng niets met betrekking tot het pand (het vervulde reeds ruim daarvóór geen functie meer in de apotheekexploitatie), althans daaromtrent is niets vastgesteld, en juridisch ging slechts de eigendom van de (zelfde; gehele) onderneming inclusief pand over van [A] op de belanghebbende tegen uitreiking van aandelen. Ik herhaal dat op grond van HR BNB 2008/213 uitgangspunt moet zijn dat een als bedrijfsmiddel aangekocht en duurzaam als zodanig gebruikt pand bedrijfsmiddel blijft tot en met de verkoop ervan, ook als het al geen functie meer vervult bij de exploitatie van de feitelijke onderneming, zoals in casu. Ik meen dat geruisloze inbreng aan dat uitgangspunt niets verandert.
feitelijkniets aan het gebruik of het gebruiksdoel van het pand: het was en bleef een tot voor kort duurzaam als bedrijfsmiddel gebruikt winkelpand; het stond leeg en te koop en het bleef leeg en te koop. Ook de bedrijfsfusie veranderde niets aan het gegeven dat het pand ruim daarvóór al geen functie meer vervulde in de feitelijke exploitatie van de apotheek maar desondanks – op grond van HR BNB 2008/213 – als bedrijfsmiddel aangemerkt moest blijven worden. Het Hof heeft althans niet daaromtrent onderzocht of vastgesteld. Zelfs de eigendom van het pand bleef, anders dan bij de inbreng, ongewijzigd: niet alleen feitelijk, ook juridisch gebeurde er niets met het pand. ’s Hofs dragende overweging dat belanghebbendes activiteiten “na de bedrijfsfusie zijn gewijzigd van het drijven van een apotheek (in het pand) in het louter aanhouden van het pand met de intentie van verkoop” is niet begrijpelijk: ook vóór de bedrijfsfusie dreef noch de belanghebbende, noch [A] enige onderneming in het pand, dat immers al ruim daarvóór leeg en te koop stond.
zonderkwalificatiegevolgen gescheiden
waren- al kwalificatiebetekenis zou kunnen hebben, (i) die juridische scheiding fiscaal-juridisch weer ongedaan werd gemaakt door de fiscale
Wiedervereinigungmet de apotheekexploitatie als gevolg van de fiscale eenheid en (ii) dat de Inspecteur ter zitting van het Hof heeft verklaard [28]