Conclusie
6.De slotsom
2.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
Onderdeel I(
“De minimale behoefte van de vrouw”) valt uiteen in twee subonderdelen (I.1-I.2).
Onderdeel II (“De ingangsdatum partneralimentatie”) is onderverdeeld in vijf subonderdelen (II.1-II.5), waarvan de subonderdelen II.1 en II.4 verder in subonderdelen zijn onderverdeeld (II.1.1-II.1.6 respectievelijk II.4.1-II.4.2).
“dat de grieven 8, 9 en 10 tevergeefs zijn voorgedragen” [10] . De verwerping door het hof van de door de vrouw voorgedragen grieven 8, 9 en 10, die tegen de vaststelling door de rechtbank van de behoefte van de vrouw op € 1.117,- bruto per maand waren gericht (zie ook rov. 4.2), bracht met zich dat het hof aan die vaststelling door de rechtbank was
gebonden.
“De totale netto behoefte komt daarmee op € 1.196,50 per maand.”), het hof niet had mogen oordelen (zoals het in rov. 5.13, in cassatie onbestreden, heeft gedaan) dat de behoeftelijst
“niet als basis kan dienen voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw”en dat het hof, in plaats daarvan, van de behoeftelijst van de vrouw, zoals door de man gecorrigeerd, had moeten uitgaan. Dat de klachten van onderdeel I mede daarop zijn gericht, kan echter onmogelijk worden aangenomen, nu dat in het cassatierekest juist met zoveel woorden wordt uitgesloten:
“De door cliënt berekende netto behoefte bedraagt € 1.196,50.”), naar mijn mening niet zonder meer worden afgeleid dat de man een netto behoefte van € 1.196,50 (in de zin van art. 154 Rv Pro) heeft
erkend [11] . Dat de man de behoeftelijst van de vrouw heeft opgeschoond van de meest discutabele posten, betekent nog niet dat hij de resterende posten uitdrukkelijk en ondubbelzinnig voor waar heeft aangenomen. Veeleer komt daaraan de betekenis toe dat hij
in elk gevaleen behoefte van méér dan € 1.196,50 uitgesloten achtte (vergelijk de omschrijving in de derde alinea van subonderdeel I.1:
“De man heeft in zijn verweerschrift én tijdens de mondelinge behandeling bij het hof van 15 juli 2014 gesteld dat de behoefte van de vrouwniet meerbedraagt dan € 1.196,50 netto (…).”; onderstreping toegevoegd; LK).
subonderdeel II.2heeft het hof in elk geval in de rov. 5.18-5.21 miskend dat het op grond van de, enige, beperking in zijn vrijheid bij de toepassing van art. 1:402 lid 1 BW Pro die uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt, was gehouden om een kenbaar onderzoek naar de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te verrichten, alvorens die ingangsdatum vast te stellen op een bepaalde datum, en dan nog wel een datum in het verleden, te weten: 17 april 2014. Dit geldt te meer nu het hof door partijen was geïnformeerd over het feit dat de echtscheidingsbeschikking ten tijde van de mondelinge behandeling op 15 juli 2014 nog niet was ingeschreven.
II.1.2-II.1.5, klaagt dat het hof de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw heeft doen ingaan op een datum waarop de echtscheidingsbeschikking nog niet was ingeschreven. Die klacht is gegrond. Naar het hof zelf in rov. 3.1 van de bestreden beschikking heeft overwogen, was de echtscheidingsbeschikking ten tijde van de mondelinge behandeling op 15 juli 2014 nog niet in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven; zij was dat op de door het hof bepaalde ingangsdatum (17 april 2014) derhalve evenmin. Zoals hiervoor reeds aan de orde kwam, staat het de rechter niet vrij de bij echtscheidingsbeschikking of latere uitspraak te bepalen partneralimentatie op een eerdere datum dan die van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te doen ingaan.
“dat de vrouw de haar gegeven bevoegdheid hoger beroep in te stellen tegen de beschikking waarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken (terwijl zij in eerste aanleg eveneens heeft verzocht de echtscheiding uit te spreken) heeft uitgeoefend met geen ander doel dan de man te schaden dan wel met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend, namelijk met het doel te bewerkstelligen dat de duur van het huwelijk wordt verlengd en dat de man de (veel) hogere alimentatie zoals die bij beschikking voorlopige voorzieningen van 4 december 2012 is vastgesteld, blijft betalen”(rov. 5.20), is óók gegeven de onmogelijkheid van een vóór de datum van inschrijving gelegen ingangsdatum van de alimentatie relevant, omdat het de rechter aanleiding kan geven de alimentatie in tijd te beperken en het hof kennelijk (ook) van die mogelijkheid gebruik heeft willen maken door te bepalen dat de bijdrage met ingang van 17 april 2019 op nihil wordt gesteld.
subonderdelen II.2 en II.3strekken ten betoge dat het hof althans nader had moeten onderzoeken of en wanneer de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking had plaatsgevonden, alvorens de door de man verschuldigde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw op een concrete datum te doen ingaan. Deze subonderdelen kunnen onbesproken blijven, nu het hof de verplichting van de man om met het door de rechtbank vastgestelde bedrag in het levensonderhoud van de vrouw bij te dragen niet kon laten ingaan op een datum waarop (naar het hof bekend was) inschrijving nog niet had plaatsgehad en dit voor gegrondbevinding van de subonderdelen II.1.1-II.1.5 volstaat.
subonderdelen II.4.1-II.4.2klagen dat het hof de twee-conclusieregel heeft miskend, althans zijn gedachtegang hieromtrent onvoldoende met redenen heeft omkleed, door het nieuwe verweer van de man dat op grond van het door hem gestelde misbruik van procesrecht door de vrouw de ingangsdatum van de partneralimentatie moet worden bepaald op 24 januari 2014, welk verweer voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling bij het hof op 15 juli 2014 is opgeworpen, in de rov. 5.18-5.20 te behandelen en naar aanleiding daarvan in rov. 5.21 een nieuwe ingangsdatum te bepalen.
nietheeft gerespondeerd op een betoog van de man dat de ingangsdatum van de
alimentatieplichtop 24 januari 2014 zou moeten worden gesteld, maar op diens betoog dat
de termijn van vijf jaarna ommekomst waarvan de door de man verschuldigde alimentatie nihil zou bedragen, niet (zoals de rechtbank had bepaald) op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, maar op 24 januari 2014 zou moeten ingaan. Ik verwijs in dit verband naar rov. 5.18:
Ingangsdatum beslissing vaststellen op 24 januari 2014
24 januari 2014”.
van de partneralimentatieop 24 januari 2014) feitelijke grondslag. Maar zelfs als dat anders zou zijn, geldt dat de man zijn verzoek reeds bij verweerschrift in appel en derhalve tijdig had gedaan, zodat de klacht ook in dat geval faalt.
alimentatieverplichtingreeds op 24 januari 2014 te doen ingaan. Zoals hiervoor (onder 2.18) al aan de orde kwam, wordt dit laatste door de man in diens voorwaardelijke incidentele cassatieberoep bestreden. Wat daarvan verder ook zij, met de door de subonderdelen II.4.1-II.4.2 bedoelde miskenning van de twee-conclusieregel heeft die laatste vraag niets van doen.
subonderdeel II.5raakt gegrondbevinding van (een van) de klachten van onderdeel II ook de daarop voortbouwende conclusie van het hof in rov. 5.21 dat de door de rechtbank vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 17 april 2019 op nihil wordt gesteld, alsmede de laatste volzin in rov. 6.1 dat het de datum waarop de onderhoudsbijdrage op nihil wordt gesteld zal aanvullen, alsmede het dictum.
“wat betreft de datum waarop de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw op nihil wordt gesteld”, maar dat laatste is iets anders dan de vervroeging van de ingangsdatum van de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie. Uiteraard heeft het slagen van die klacht wél tot gevolg dat het dictum van de bestreden beschikking, voor zover daarin is bepaald dat de man met ingang van 17 april 2014 de door de rechtbank vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te betalen, niet in stand kan blijven.
onderdeel III-A, randnummers 3.2-3.13) en een voorwaardelijke klacht tegen de rov. 5.18 en 5.21, voor zover een of meerdere klachten van de vrouw ter zake van de door het hof gehanteerde ingangsdatum van de definitieve partneralimentatie tot cassatie leiden (
onderdeel III-B, randnummers 3.14-3.16). Nu de klacht van de subonderdelen II.1.1-II.1.5 van het principale beroep slaagt, bespreek ik hierna beide klachten.
3.3-3.9dat rechtens onjuist, althans zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk is dat het hof het verzoek van de man om bij het vaststellen van de hoogte van de partneralimentatie rekening te houden met de omstandigheid dat hij aan de vrouw ingevolge de huwelijkse voorwaarden € 25.000,- netto per huwelijksjaar na 8 mei 2006 dient te betalen, in rov. 5.15 heeft afgewezen met de motivering dat
“het verzoek betrekking heeft op een toekomstige omstandigheid, althans een omstandigheid die eerst bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de orde zal komen”. Het onderdeel wijst erop dat van een toekomstige omstandigheid, althans een omstandigheid die eerst bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de orde zal komen, geen sprake is, nu - zoals ook uit de gedingstukken blijkt - de vrouw de in art. 21 van Pro de huwelijkse voorwaarden genoemde (netto)uitkering ter hoogte van € 25.000,- per huwelijksjaar daadwerkelijk van de man heeft opgeëist en de man op zichzelf en in beginsel de verschuldigdheid van dit bedrag heeft erkend. Daarbij komt, volgens het onderdeel, dat het huwelijk ten tijde van de bestreden beschikking reeds was beëindigd [21] .
3.10-3.12voorts dat, voor zover het hof heeft bedoeld dat niet van belang is dat de man op grond van art. 21 van Pro de huwelijkse voorwaarden een uitkering aan de vrouw is verschuldigd, althans dat zulks niet aan de door het hof vastgestelde behoefte van de vrouw en/of de draagkracht van de man kan afdoen, dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans van een onvoldoende begrijpelijke gedachtegang blijk geeft. Aangezien de op grond van art. 21 van Pro de huwelijkse voorwaarden verschuldigde uitkering van invloed is op de behoefte van de vrouw en/of de draagkracht van de man, kon het hof volgens het onderdeel het verzoek van de man niet verwerpen met de enkele overweging in rov. 5.15 dat
“het verzoek betrekking heeft op een toekomstige omstandigheid, althans een omstandigheid die eerst bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de orde zal komen”.
3.13ten slotte aan dat de rov. 5.2.1 (kennelijk is bedoeld 5.21), 6.1 en 7 evenmin in stand kunnen blijven, nu het aldaar door het hof overwogene (deels) voortbouwt op het bestreden oordeel in rov. 5.15.
Hoge Raad van 12 mei 2006, NJ 2006, 293 (noot E.L. Schaafsma-Beversluis).”
“een som in contanten”die aldus wordt berekend dat voor ieder huwelijksjaar na 8 mei 2006 aanspraak op een nettobedrag van € 25.000,- bestaat. De huwelijkse voorwaarden bepalen niet wanneer en op welke wijze de man de bedoelde som in contanten dient te voldoen. Overigens zou niet slechts een door de man aan de vrouw te verstrekken periodieke uitkering, maar ook een door de man aan de vrouw te verstrekken uitkering ineens voor de beoordeling van de alimentatieaanspraak van de vrouw van belang kunnen zijn. In dit verband herinner ik eraan dat volgens de rechtspraak van de Hoge Raad voor de behoeftigheid van degene die vaststelling van een partneralimentatie verzoekt, mede diens vermogen van belang is [24] , en dat het voorts vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat bij het bepalen van de draagkracht in beginsel rekening dient te worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige, ook met schulden waarop niet wordt afgelost [25] .
“naast door de comparante sub 2 en eventuele kinderen te ontvangen alimentatie, in verband met het gegeven verschil in de maatschappelijke positie van de echtgenoten het recht op een uitkering ten laste van de comparante sub 1 (heeft)”. De vrouw legt die passage aldus uit dat met die uitkering bij de bepaling van haar behoefte en bij de bepaling van de draagkracht van de man in het geheel geen rekening zou mogen worden gehouden. Tot die uitleg dwingt de geciteerde passage echter niet. Met die passage kan ook zeer wel zijn bedoeld zeker te stellen dat de beoogde uitkering niet tot afkoop van eventuele alimentatieaanspraken strekt en derhalve niet bij voorbaat aan dergelijke aanspraken in de weg staat, voor zover de (mede met inachtneming van die uitkering te bepalen) behoefte van de vrouw en de (mede met inachtneming van die uitkering te bepalen) draagkracht van de man daartoe nog aanleiding geven.
mag, maar niet
behoeftte houden [27] . De klacht
onder 3.3-3.9is dan ook tevergeefs voorgesteld. Dat behoeft mijns inziens overigens niet uit te sluiten dat, na een cassatie en verwijzing op andere gronden, de verwijzingsrechter, afhankelijk van de stand van zaken ten tijde van zijn beslissing en de mate van zekerheid die op dat moment over de aan de vrouw toekomende uitkering zal bestaan, zou kunnen besluiten die uitkering alsnog in zijn oordeel te betrekken [28] .
onder 3.10-3.12klaagt over een onjuiste rechtsopvatting, althans een onvoldoende begrijpelijke gedachtegang, als het hof heeft bedoeld dat niet van belang is dat de man op grond van art. 21 van Pro de huwelijkse voorwaarden een uitkering aan de vrouw is verschuldigd, althans dat zulks niet aan de door het hof vastgestelde behoefte van de vrouw en/of de draagkracht van de man kan afdoen, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 5.15 allerminst uitgesloten dat de door de man op grond van art. 21 van Pro de huwelijkse voorwaarden verschuldigde uitkering van belang kan zijn met het oog op de vaststelling van de door de man verschuldigde partneralimentatie en de daarbij in aanmerking te nemen behoefte en draagkracht.
onder 3.13verdedigde doorwerking van het welslagen van die klachten in de rov. 5.21, 6.1 en het dictum zich niet voor.
onder 3.15dat de man het hof niet heeft verzocht zijn definitieve alimentatieverplichting in te laten gaan per 24 januari 2014, althans een andere datum gelegen vóór de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Volgens het onderdeel heeft de man verzocht om de tijd die de vrouw heeft gerekt - doordat zij appel instelde tegen de uitgesproken echtscheiding - van de alimentatietermijn van vijf jaar af te halen en die termijn per saldo dus korter te laten duren. Voor het bepalen van de duur van de termijn die de vrouw heeft gerekt, heeft de man het hof verzocht uit te gaan van de dag dat de echtscheidingsbeschikking had kunnen worden ingeschreven, als de vrouw geen appel tegen de uitgesproken echtscheiding had ingesteld. Die dag was 24 januari 2014, aldus het onderdeel. Het oordeel van het hof dat de definitieve alimentatieverplichting van de man aanvangt per 17 april 2014 en op nihil wordt gesteld per 17 april 2019 is derhalve, volgens het onderdeel onder 3.16, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, althans is het hof met dit oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden.
onder 3.16raakt gegrondbevinding van de klacht ook de op het daarmee bestreden oordeel voortbouwende conclusie in rov. 6.1 dat het hof de datum waarop de onderhoudsbijdrage op nihil wordt gesteld zal aanvullen, alsmede het dictum voor zover daarin de ingangsdatum van de alimentatieverlichting van de man is bepaald op 17 april 2014 en deze bijdrage met ingang van 17 april 2019 op nihil is gesteld.
“(d)e man verzoekt (…) de ingangsdatum van de termijn van vijf jaar te bepalen op 24 januari 2014, de datum waarop de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven had kunnen zijn”. Die uitleg was geheel in lijn met de stellingen van de man, die in zijn verweerschrift onder 16 het hof had verzocht
“te bepalen dat de termijn dat de vrouw heeft gerekt dit in mindering te laten strekken op de alimentatietermijn van 5 jaren”en daaraan bij gelegenheid van de mondelinge behandeling (pleitaantekeningen zijdens de man in hoger beroep, p. 3, laatste alinea) het verzoek had toegevoegd
“uit te gaan van de datum waarop de inschrijving had kunnen plaatsvinden, te weten24 januari 2014” [29] .