Conclusie
2.Procesverloop
Verstrijken wettelijke alimentatietermijn
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 2.2 en 2.3dat het hof in de rov. 10 en 11 de stellingen van de vrouw en de man onjuist heeft weergegeven.
“min of meer (werd) voortgezet”. Gelet op het voorgaande is de weergave van de stellingen van de vrouw in rov. 10 volgens de klacht onvolledig en is de uitleg die het hof kennelijk aan die stellingen heeft gegeven, ook onbegrijpelijk.
(“Uit de overeenkomst blijkt immers dat de partneralimentatie behoefte dekkend was. Hieruit volgt dat het uitgangspunt de behoefte van de vrouw is geweest.”), heeft de man niet gesteld dat de partneralimentatie
“sec”, dat wil zeggen
zonderde bijbetalingen door de man van de periodieke lasten van de vrouw in de periode vóór de verkoop van de voormalige echtelijke woning en zonder een (aanzienlijk) eigen vermogen van de vrouw (en het daaruit te behalen rendement) ná verkoop van de voormalige echtelijke woning, behoeftedekkend zou zijn geweest. De man heeft immers, nog steeds volgens de klacht, in zijn brief van 29 november 2012 (onder 4) aan de rechtbank onomwonden erkend dat de levensstandaard van de vrouw slechts
“min of meer”zou kunnen worden voortgezet op grond van de regeling zoals partijen die overeenkwamen, dus inclusief het gratis woongenot in een woning met een waarde van (toen) ruim 3 miljoen en betaling van de overige periodieke lasten van de vrouw door de man. Gelet hierop is de uitleg die het hof aan de stellingen van de man heeft gegeven, volgens de klacht, onbegrijpelijk. Aangezien de regeling die gold vóór de verkoop van de echtelijke woning tussen partijen niet eens in dispuut was en de man zelfs onomwonden heeft erkend dat het alimentatiebedrag van € 4.000,- niet behoeftedekkend was, is het hof met zijn duiding van de stellingen van de man volgens de klacht ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden en is zijn oordeel derhalve ook rechtens onjuist (want in strijd met onder meer art. 149 en Pro 154 Rv).
onder 2.2tot uitgangspunt neemt, heeft het hof bij zijn oordeel of partijen al dan niet bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken, wel degelijk meegewogen dat van een zogenaamde “package deal” sprake was. Dit volgt uit rov. 12 van de bestreden beschikking:
“(…) De vrouw stelt dat de partneralimentatie behoefte dekkend was tot de verkoop van de voormalige echtelijke woning, omdat de man alle woonlasten zou betalen totdat de vrouw zou kunnen beschikken over haar aandeel in het vermogen dat vrij zou komen na verkoop van de voormalige echtelijke woning.” [4] . In zoverre mist de klacht
onder 2.2feitelijke grondslag.
onder 2.2 en 2.5dat het hof in rov. 10 ten onrechte niet heeft weergegeven dat de vrouw heeft gesteld dat de partneralimentatie van € 4.000,-, die was overeengekomen voor de periode tot aan de verkoop van de voormalige echtelijke woning,
nietbehoeftedekkend was en vervolgens in rov. 12 ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw heeft gesteld dat dit bedrag tot aan de verkoop van de voormalige echtelijke woning
welbehoeftedekkend was omdat de man tot aan de verkoop van de voormalig echtelijke woning alle woonlasten zou betalen, faalt eveneens. Gelet op de door de vrouw betrokken stellingen (waarin zij zelf de overeengekomen alimentatie bij herhaling behoeftedekkend heeft genoemd en ook uitdrukkelijk heeft bevestigd dat bij de bepaling van haar behoefte niet van de wettelijke maatstaven is afgeweken) [5] en voorts gelet op de tekst van art. 2.2 van het convenant, is de weergave van de stellingen van de vrouw niet onvolledig en evenmin onbegrijpelijk. Bij dit alles teken ik aan dat de klachten ten onrechte ervan uitgaan dat het hof in de bestreden overwegingen het bedrag van € 4.000,-
reeds op zichzelf(onder 2.3 spreekt het onderdeel van
“de partneralimentatie ‘sec’”) als behoeftedekkend zou hebben beoordeeld. Van dat laatste is echter geen sprake. Zo blijkt uit rov. 12 dat het hof bij de beoordeling van de toereikendheid van de partneralimentatie heeft betrokken dat de man op grond van het convenant in het bijzonder de woonlasten van de vrouw rechtstreeks zou blijven voldoen (en dat de maandelijkse bijdrage derhalve nog slechts in een resterende behoefte van de vrouw beoogde te voorzien). Overigens gaat het in de bestreden overwegingen uiteindelijk om de vraag of partijen in hun convenant al dan niet van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. Ten aanzien van de behoefte van de vrouw was daarvan geen sprake, als partijen beoogden dat het geheel van de in het convenant getroffen voorzieningen (zowel de maandelijkse uitkering als de rechtstreeks door de man verrichte betalingen) de behoefte van de vrouw voldoende zou dekken.
onder 2.2, 2.3 en 2.5van het cassatierekest aangehaalde stelling van de man uit zijn brief van 29 november 2012 (onder 4) kan, anders dan het onderdeel (mede gelet op de uitdrukkelijke verwijzing onder 2.3 naar art. 154 Rv Pro over de gerechtelijke erkentenis) suggereert, niet zo worden opgevat dat de man zou hebben erkend dat de alimentatie die partijen in het convenant waren overeengekomen, de behoefte van de vrouw
nietzou dekken. De (advocaat van de) man heeft in de genoemde brief gesteld:
€ 4.000,- netto per maandis gaan betalen aan de vrouw. Belastingaanslagen van de vrouw, rente en aflossing van de hypotheek van de vrouw ziektekostenverzekering, telefoon, en internet werden aanvullend door de man betaald.”
nietbehoeftedekkend was. Integendeel, de geciteerde passage en de overige stellingen van de man kunnen niet anders worden opgevat dan dat de man het genoemde bedrag, in samenhang met de overige voorzieningen, juist
wélbehoeftedekkend achtte. In zoverre mist het gestelde
onder 2.2, 2.3 en 2.5feitelijke grondslag.
onder 2.3tot uitgangspunt neemt, blijkt uit de weergave van de stellingen van de man in rov. 11 niet dat het hof die stellingen aldus heeft opgevat dat het bedrag van € 4.000,- ‘sec’, dat wil zeggen zonder de rechtstreekse betalingen door de man van de periodieke lasten van de vrouw in de periode vóór de verkoop van de voormalige echtelijke woning en zonder een (aanzienlijk) eigen vermogen van de vrouw (en het daaruit te behalen rendement) ná verkoop van de voormalige echtelijke woning, volgens de man behoeftedekkend zou zijn geweest [7] . In zoverre mist de klacht onder 2.3 feitelijke grondslag.
op zichzelf, los van de overige voorzieningen van het convenant, behoeftedekkend was, maar of partijen met het (geheel van voorzieningen van het) convenant bewust van de wettelijke maatstaven (ten aanzien van de behoefte van de vrouw) zijn afgeweken.
onder 2.3dat, nu de regeling die gold vóór de verkoop van de echtelijke woning tussen partijen niet eens in dispuut was en de man zelfs onomwonden heeft erkend dat het alimentatiebedrag van € 4.000,- niet behoeftedekkend was, het hof met zijn duiding van de stellingen van de man ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden, is tevergeefs voorgesteld. Het gaat in de rov. 9-12 om de tussen partijen in geschil zijnde vraag of zij bij het convenant bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. Waar partijen zich in dat verband mede op de relatie tussen de maandelijkse uitkering aan de vrouw en de arrangementen met betrekking tot de woonlasten van de vrouw hebben beroepen, was het niet ontoelaatbaar dat het hof bij de beantwoording van die vraag ook de voor de periode vóór de verkoop van de echtelijke woning in het convenant gemaakte afspraken betrok. Dat de man onomwonden zou hebben erkend dat het alimentatiebedrag van € 4.000,-
nietbehoeftedekkend was, is, zoals hiervóór (onder 3.5) al aan de orde kwam, niet juist. De man achtte dat bedrag, in relatie met de rechtstreeks door hem te betalen kosten (c.q. het later vrijvallende vermogen van de vrouw), juist
wélbehoeftedekkend.
onder 2.4bedoelde doorwerking van het welslagen van die klachten in rov. 12 zich niet voor.
onder 2.5-2.13richten zich tegen rov. 12 (hiervóór onder 2.4 reeds geciteerd).
onder 2.5geklaagd dat het oordeel van het hof in rov. 12 dat de overeengekomen partneralimentatie tot aan de verkoop van de echtelijke woning met de wettelijke maatstaven in overeenstemming is geweest, geen stand kan houden, gelet op de onjuiste weergave van de stellingen van partijen. Het hof zou volgens de klacht hebben miskend dat partijen hebben gesteld dat het overeengekomen bedrag van € 4.000,- niet behoeftedekkend was.
onder 2.5faalt derhalve wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
onder 2.6ten betoge dat de overweging van het hof dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden en daarmee art. 24 Rv Pro heeft geschonden ontoelaatbaar onduidelijk is. Voor zover zou zijn bedoeld dat de vrouw niet de stelling zou hebben betrokken dat partijen bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken, is die overweging, gelet op de stellingen van partijen, volgens de klacht onbegrijpelijk en geldt dat niet de rechtbank maar het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en daarmee het recht heeft geschonden. Het hof heeft, nog steeds volgens de klacht, voorts de grenzen van de rechtsstrijd in appel miskend en daarmee het recht geschonden door niet uit te gaan van de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat de regeling in het convenant een “package deal” inhield (p. 3, bovenaan van de beschikking van 25 februari 2014), nu tegen dit oordeel van de rechtbank niet is gegriefd.
in eerste aanlegniet aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd. De klacht tegen deze overweging (die, wat daarvan overigens zij, gelet op het verweerschrift van de vrouw
in eerste aanleg, niet onbegrijpelijk is [8] ) kan niet tot cassatie leiden, omdat zij niet dragend is voor het oordeel dat van een bewust afwijken van de wettelijke maatstaven geen sprake is en dat de bestreden beslissing van de rechtbank derhalve geen stand kan houden.
onder 2.6klaagt dat het hof met zijn uitleg van de stellingen van partijen buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden, vindt die klacht reeds weerlegging in hetgeen hiervóór (onder 3.4-3.6) aan de orde kwam.
onder 2.6het hof ten slotte verwijt buiten de rechtsstrijd van partijen te zijn getreden door te hebben miskend dat als in appel onbestreden vaststond dat de regeling in het convenant een “package deal” betrof waarin de alimentatiebijdrage voor de vrouw in samenhang met de verdeling tot stand is gekomen, geldt dat het hof, zoals hiervóór (onder 3.5) reeds aan de orde kwam, die omstandigheid wel degelijk in aanmerking heeft genomen en juist ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat de overeengekomen partneralimentatie (de periodieke bijdrage, tezamen met de overige voorzieningen van het convenant, waaronder in het bijzonder de rechtstreeks door de man te verrichten betalingen c.q. het in een later stadium vrijvallende vermogen van de vrouw) behoeftedekkend was. De klacht faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag.
onder 2.8betoogd dat de afspraken in het convenant over de alimentatie een “package deal” betroffen, waarin mede rekening werd gehouden met het feit dat zij geen pensioen heeft en dat de vaststelling van de (lagere) alimentatie (die haar levensstandaard rechtvaardigde) was gebaseerd op de veronderstelling dat de vrouw zou kunnen beschikken over een aanzienlijk vermogen (van € 1.000.000,-) waaruit de vrouw rendement zou kunnen genieten. Het hof heeft volgens de klacht in het geheel niet op deze stellingen gerespondeerd.
onder 2.9gesteld dat tussen partijen als onbetwist vaststaat dat aan de vaststelling van de onderhoudsbijdrage geen draagkrachtberekening ten grondslag is gelegd, hetgeen ook met zoveel woorden is opgenomen in het convenant. Aangezien draagkracht een van de meest in het oog springende wettelijke maatstaven is aan de hand waarvan (de hoogte van) een onderhoudsbijdrage moet worden vastgesteld, staat daarmee volgens de klacht vast dat partijen bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. Het hof lijkt dat, nog steeds volgens de klacht, te hebben miskend, zodat zijn oordeel rechtens onjuist is; althans is dat oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu - zonder nadere, ontbrekende - motivering, niet duidelijk is of, en zo ja op welke wijze, het hof deze omstandigheid (van het door partijen geheel buiten haken plaatsen van de draagkracht in de door hen gesloten overeenkomst) heeft meegewogen bij de beantwoording van de vraag of partijen bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.
“noch uit de gedingstukken noch uit wat de vrouw heeft aangevoerd, kan worden geconcludeerd dat partijen bij het opstellen van de overeenkomst tot levensonderhoud bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven.”
bewusteafwijking van de wettelijke maatstaven (dat wil zeggen, een afwijking waarbij het “opzet” van partijen ook bepaaldelijk op een afwijking van de wettelijke maatstaven was gericht [10] ), geen sprake. Aan de opsteller van de klacht kan worden toegegeven dat het hof zich niet expliciet heeft uitgelaten over de vraag of de overeengekomen alimentatie de behoefte van de vrouw ook ná de verkoop van de echtelijke woning zou dekken. Het ligt echter voor de hand dat het hof van dit laatste is uitgegaan, nu in de stellingen van partijen ligt besloten dat zij bij het sluiten van het convenant ervan zijn uitgegaan dat de vrouw na verkoop van de voormalige echtelijke woning uit (de opbrengsten van) het dan voor haar vrijvallende vermogen in haar eigen (en tot dan door de man te betalen) woonlasten zou kunnen voorzien. Ook hier teken ik aan dat het voor de door het hof in rov. 12 beantwoorde vraag of partijen in het convenant bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken, aankomt op de verwachtingen die partijen ten tijde van het sluiten van het convenant omtrent de behoeftedekkendheid van de overeengekomen arrangementen hadden.
bewustvan de wettelijke maatstaven zijn afgeweken, acht ik - gelet op de gedingstukken (waaruit eerder het tegendeel lijkt te volgen [11] ) - niet onbegrijpelijk. Tegen dit oordeel zijn ook geen specifieke klachten gericht.
“(a)angezien geen sprake is van bewust afwijken van de wettelijke maatstaven”, de overeenkomst betreffende het levensonderhoud kan worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden wanneer deze als gevolg daarvan ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (art. 1:401 lid 1 BW Pro). Volgens de klacht
onder 2.11zal in het geval bij de totstandkoming van het convenant bewust van de wettelijke maatstaven is afgeweken, de rechter slechts tot wijziging van de overeenkomst mogen overgaan indien de verzoeker stelt en de rechter aannemelijk oordeelt dat na het tot stand komen van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de wederpartij, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden,
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheidongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Het hof heeft volgens het onderdeel geen blijk ervan gegeven een dergelijke toets te hebben uitgevoerd.
onder 2.10-2.11. Bij die stand van zaken heeft het hof in rov. 13 bij de beoordeling van het wijzigingsverzoek de juiste maatstaf gehanteerd, te weten die van art. 1:401 lid 1 BW Pro.
Onder 2.13wordt in het verlengde hiervan betoogd dat door alleen de alimentatie en de duur van de alimentatie
“eruit”te halen en
“los te koppelen”van de verdeling, en door opnihilstelling en beperking van de alimentatieduur te vragen, zonder de aspecten van de verdeling in de bepleite aanpassing te betrekken, een situatie ontstaat die regelrecht in strijd is met wat partijen zijn overeengekomen, en met wat partijen bij het opstellen van het convenant voor ogen heeft gestaan. Het hof respondeert volgens de klacht in het geheel niet op deze (essentiële) stellingen, zodat zijn oordeel niet toereikend is gemotiveerd.
onder 2.12 en 2.13dat de rechter bij het beoordelen van het wijzigingsverzoek van de man rekening had moeten houden met de (onbalans en ongelijkheid in de verdeling als resultaat van de) overige afspraken die partijen in het convenant hebben vastgelegd, faalt. Volgens vaste rechtspraak volgt immers uit de aard van de alimentatiebeschikking op de voet van art. 1:401 lid 1 BW Pro dat, afgezien van het zich volgens het hof hier niet voordoende geval dat partijen bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken, de rechter, wanneer hij eenmaal heeft vastgesteld dat een overeenkomst betreffende levensonderhoud door een wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen, geheel vrij is om met inachtneming van alle ten tijde van zijn beslissing bestaande relevante omstandigheden en
zonder door de aldus achterhaalde overeenkomst in zijn vrijheid te worden beperkt, die overeenkomst te wijzigen dan wel in te trekken [12] .
Onder 2.14wordt betoogd dat het oordeel van het hof dat de man, gelet op zijn financiële situatie, met ingang van 1 september 2011 geen draagkracht heeft om enig bedrag aan partneralimentatie te voldoen en dat deze wijziging van omstandigheden ertoe leidt dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en zal overgaan tot wijziging van de overeenkomst betreffende het levensonderhoud, rechtens onjuist is, althans onvoldoende is gemotiveerd. Deze algemene klacht wordt
onder 2.15-2.22verder uitgewerkt.
onder 2.18-2.19), alsook inzake de (voortdurende) vragen over de achtergronden van de rekening-courant schuld van de man aan [A] B.V. onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
Onder 2.19wordt – naar ik begrijp - voorts geklaagd dat, voor zover het hof bij zijn oordeel of er sprake is van een wijziging van omstandigheden alleen is uitgegaan van het inkomen van de man uit [A] B.V. en niet van het inkomen van de man “as such”, dit oordeel rechtens onjuist is, althans in ieder geval lijdt aan een motiveringsgebrek. Er wordt in dit verband gewezen op de werkzaamheden die de man verricht bij [B] B.V. en het feit dat de vrouw steeds heeft aangedrongen op het verschaffen van duidelijkheid door de man over de aard en omvang van die betrokkenheid bij [B] B.V..
onder 2.15tot uitgangspunt neemt dat het hof zijn oordeel dat er sprake is van een daling van het inkomen van de man uit de besloten vennootschap [A] B.V. alleen heeft gebaseerd op de aangifte IB 2012 en de verklaringen van de man over de daling van zijn inkomen, mist zij feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn oordeel blijkens rov. 16 immers mede gebaseerd op
“het exploitatieresultaat van de B.V. van de man en het maximaal door de man daaruit te genereren inkomen”. Hieruit volgt dat het hof (ook) acht heeft geslagen op de door de man overgelegde geconsolideerde jaarrekeningen van [A] B.V., waaruit het voor de jaren 2009, 2010, 2011 en 2012 steeds negatieve exploitatieresultaat van [A] B.V. kenbaar is [13] .
onder 2.18 en 2.19genoemde stellingen alle in zijn beschikking te bespreken. Nu de bestreden beschikking voldoende inzicht biedt in de gedachtegang die het hof heeft geleid tot zijn oordeel dat grond bestaat voor de toepassing van art. 1:401 lid 1 BW Pro, is van een motiveringsgebrek geen sprake [17] .
onder 2.17, die vooronderstelt dat het hof kennelijk (zonder meer) heeft aangenomen dat de schuld in rekening-courant van de man aan [A] B.V. zo hoog is opgelopen doordat de man de kosten van de voormalige echtelijke woning is blijven betalen en de rente niet meer aftrekbaar was, faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. In de beschikking van het hof kan mijns inziens niet worden gelezen dat het hof heeft geoordeeld over de reden van de hoogte van de rekening-courantschuld. Het hof heeft in rov. 16 slechts vastgesteld dát er een rekening-courantschuld is.
onder 2.22ten slotte nog aangevoerd dat het hof niet ongemotiveerd mocht voorbijgaan aan het verzoek van de vrouw om een deskundige te benoemen die de juistheid van de door de man in het geding gebrachte financiële stukken zou controleren.
onder 2.22faalt derhalve.
onder 2.16aangevoerd dat met deze kosten op voorhand rekening is gehouden bij het opstellen van het convenant. Tevens wordt betoogd dat de vrouw heeft gesteld dat partijen rekening hebben gehouden met een wat langere verkooptijd. Volgens de klacht heeft het hof, gelet hierop, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het criterium gewijzigde omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW Pro, dan wel zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
“ [A] B.V. is technisch failliet. Ter zitting is door het hof aan partijen voorgehouden dat de man materieel eveneens failliet is, hetgeen door zowel de man als de vrouw is erkend.”Anders dan de klacht tot uitgangspunt neemt, lees ik in deze overweging niet dat het hof heeft vastgesteld dat partijen hebben ingestemd met de conclusie dat [A] B.V. technisch failliet is [22] . Hetgeen door het hof aan partijen is voorgehouden ziet, blijkens de geciteerde overweging, op de financiële positie van de man zelf. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.
“(…) Uit de aangifte inkomstenbelasting 2012 van de man blijkt een totale schuld van € 4.817.683. Deze schuld betrof de schuld vóór de verkoop van de voormalige echtelijke woning. Nu de verkoopopbrengst van de woning € 900.000,- betrof resteert nog immer een zeer grote schuld (…)”). In overeenstemming daarmee heeft het hof de bedoelde toestand van een materieel faillissement van de man niet slechts betrokken op de situatie van de man vóór de verkoop van de voormalige echtelijke woning, maar ook, en zelfs in de eerste plaats, op de situatie van de man ná die verkoop (rov. 16:
“(…) Ter zitting is door het hof aan partijen voorgehouden dat de man materieel eveneens faillietis, hetgeen door zowel de man als de vrouw is erkend.”; onderstreping toegevoegd; LK). Waar naar het oordeel van het hof de bedoelde (vermogens)toestand van een materieel faillissement voor het ontbreken van draagkracht van de man beslissend is, doet niet ter zake dat de voor de man aan de voormalige echtelijke woning verbonden (rente)lasten inmiddels zijn gewijzigd.
“thans”(na de verkoop van de voormalige echtelijke woning) schulden ter zake van die woning resteren, niet alleen aan [A] B.V., maar óók aan de bank. Het is ook tegen die achtergrond niet onbegrijpelijk dat het hof de financiële toestand van de man na de verkoop van de voormalige echtelijke woning niet als minder penibel heeft beoordeeld.
onder 2.23een motiveringsklacht en komt kennelijk op tegen rov. 8 (hiervóór onder 2.4 reeds aangehaald) waarin het hof het oordeel van de rechtbank dat partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten dat de onderhoudsplicht van de man zou ingaan per 31 december 2006 en 12 jaar (derhalve tot 31 december 2018) zou duren, heeft bekrachtigd. Volgens de klacht is deze bekrachtiging onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, aangezien de vrouw de stelling heeft betrokken dat ook in een periode waarin geen crisis heerst de verkoop van een pand dat getaxeerd was op € 3.200.000,- niet eenvoudig te realiseren zou zijn en dat partijen dus met een wat langere verkooptijd rekening hebben gehouden. Nu de ondertekening van het echtscheidingsconvenant eerst plaatsvond op 10 augustus 2006, ligt de door het hof gegeven uitleg aan de (van de wet afwijkende) afspraak tussen partijen inzake de begindatum voor de termijn van 12 jaar volgens het onderdeel ook weinig voor de hand; in die uitleg zouden partijen de afwijkende afspraak immers hebben gemaakt met het oog op een periode van slechts enkele maanden.
“wat langere verkooptijd”, maakt het kennelijke oordeel van het hof dat bij het opstellen van het convenant in elk geval géén rekening is gehouden met een verkooptijd van zeven jaar, mijns inziens niet onbegrijpelijk (zie ook hiervóór onder 3.28).
“wat langere verkooptijd”, impliceert in elk geval niet dat partijen bij het maken van de afspraak in plaats van een termijn van
maandenvan een termijn van
jarenzouden zijn uitgegaan. De gedingstukken wijzen eerder erop dat aan partijen voor ogen stond dat de verkoop van het onroerend goed (met inbegrip van de voormalige echtelijke woning) nog in 2006 zou kunnen worden gerealiseerd en dat per 31 december 2006 volledig zou kunnen worden afgerekend [28] . Ook in dat licht acht ik de uitleg die het hof aan de tussen partijen gemaakte afspraak heeft gegeven, niet onbegrijpelijk.