Conclusie
4.Verloop van de procedure
Het standpunt van het openbaar ministerie luidt, dat de rechtbank onbevoegd is om van het klaagschrift kennis te nemen en dat de stukken ter afdoening zullen worden gezonden naar het gerechtshof te ’s-Gravenhage, omdat de strafzaak tegen klager als verdachte inmiddels bij dat gerechtshof aanhangig is.
Ik verwijs naar het arrest van de Hoge Raad, HR 24 oktober 1995, DD 96.082.
(…) Ik ben het niet met het openbaar ministerie eens, want ik vind dat de rechtbank wel degelijk bevoegd is om van het klaagschrift kennis te nemen. (…)
Op dit moment is er geen ontnemingszaak tegen klager aanhangig en het staat de advocaat-generaal bij het gerechtshof vrij om een geldboete tegen klager als verdachte te eisen en daar kan het conservatoir beslag ook voor dienen.
Er is conservatoir beslag gelegd met het oog op een ontnemingsvordering en niet met het oog op een op te leggen geldboete.
Nu blijkt dat verzuimd is om tijdig een ontnemingsvordering in te dienen kan het niet de bedoeling zijn, dat de rechtbank onbevoegd is om van het klaagschrift kennis te nemen.
De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat een conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering ook kan dienen tot verhaal ter zake van een eventueel in de hoofdzaak tegen klager als verdachte op te leggen geldboete.”
5.Het eerste middel
Een redelijke toepassing van art. 552a, derde lid, (oud) Sv brengt mee dat de rechtbank, als het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de ontnemingszaak wordt vervolgd in de zin van deze bepaling, wel bevoegd is tot kennisneming van het klaagschrift voor zover dat betrekking heeft op de voorwerpen die op de voet van art. 94a, tweede lid, Sv inbeslaggenomen zijn.