Uitspraak
[woonplaats].
23 november 1993.
Hoge Raad
In deze zaak diende klaagster een klaagschrift in tot teruggave van een bedrag van ƒ 43.360,-- dat bij haar in beslag was genomen in het kader van een verdenking van drugshandel. De vervolging tegen haar eindigde met een kennisgeving van niet verdere vervolging. De rechtbank verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat hetzelfde bedrag in een strafzaak tegen haar partner was verbeurd verklaard.
Klaagster stelde dat de rechtbank onterecht oordeelde dat zij niet-ontvankelijk was en dat het beslag onrechtmatig was, aangezien zij eigenaar was van het geld en de vervolging tegen haar was beëindigd. De Hoge Raad overwoog dat de rechtbank zich onbevoegd had moeten verklaren omdat het klaagschrift had moeten worden ingediend bij het gerecht dat bevoegd was voor de strafzaak, namelijk het hof.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat indien het klaagschrift bij een onbevoegd gerecht wordt ingediend, dit gerecht de stukken moet doorzenden naar het bevoegde gerecht. Ook kan een klaagschrift op grond van artikel 552a Sv worden opgevat als een klaagschrift op grond van artikel 552b Sv indien de verbeurdverklaring uitvoerbaar is geworden. De Hoge Raad vernietigde de bestreden beschikking en bepaalde dat de stukken ter verdere behandeling naar het gerechtshof te 's-Gravenhage worden gezonden.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt beschikking en verklaart rechtbank onbevoegd, stukken worden doorgezonden naar gerechtshof.