Deze zaak betreft de bevoegdheid van de Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (SNCU) om de naleving van bepalingen uit de collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) voor uitzendkrachten te handhaven. De CAO was algemeen verbindend verklaard voor bepaalde tijdvakken en kende aan de SNCU specifieke taken en bevoegdheden toe, vastgelegd in reglementen.
De procedure ontstond nadat SNCU [eiser 3] en zijn opvolgers, de werkmaatschappij en de holding, aansprakelijk stelde wegens vermeende overtredingen van de CAO. SNCU vorderde naleving, betaling van kosten en een forfaitaire schadevergoeding. De kantonrechter wees de vorderingen af, maar het hof vernietigde dit en veroordeelde [eiser 3] tot medewerking aan een hercontrole, terwijl de vorderingen tegen de werkmaatschappij en holding werden afgewezen.
In cassatie werd onder meer geklaagd over de proceskostenverdeling en de bevoegdheid van SNCU. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de proceskostenverdeling juist had gemotiveerd en bevestigde de bevoegdheid van SNCU zoals eerder in een arrest van 28 november 2014 is vastgesteld. Klachten over privacy en schadevergoeding faalden eveneens. Het cassatieberoep werd verworpen.
De uitspraak bevestigt dat de SNCU bevoegd is om namens de CAO-partijen handhavend op te treden binnen de algemeen verbindend verklaarde termijnen en dat de proceskostenverdeling in dit geval correct is toegepast.