Conclusie
1.Feiten en procesverloop
een beeld naar voren is gekomen dat niet de statutair directeur [betrokkene 1] maar haar ex-echtgenoot [verzoeker] degene was die het bedrijf feitelijk leidde.[…]
Voor hij in de WSNP kwam had hij ook een transportbedrijf[…]
[verzoeker] is ook degene die ik heb gesproken toen het faillissement was uitgesproken.[…]
Van haar ([betrokkene 1]) heb ik nooit iets vernomen.”
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
Indien na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling[…]
blijkt dat zich voordien feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die grond zouden hebben opgeleverd voor de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 350, derde lid, onder e[benadeling van schuldeisers, LT]
, kan de rechter[…]
bepalen dat art. 358, eerste lid[de schone lei, LT]
, verder geen toepassing vindt.” Voorwaarde voor toewijzing van het verzoek tot ontneming van de schone lei is dus dat blijkt van feiten of omstandigheden die, zou de schuldsaneringsregeling nog van toepassing zijn geweest, grond zouden hebben opgeleverd voor de beëindiging van die toepassing omdat de schuldenaar tracht zijn schuldeisers te benadelen. Wessels stelt dat het moet gaan om ‘nieuwe’ feiten. [16]