Conclusie
1.De prejudiciële vraag
2.Niet-naleving van artikel 392 lid 2 Rv Pro
( [1] )en dat het voor beide partijen voldoende duidelijk moet zijn geweest welke vraag zou zijn te stellen. De vraag rijst of aan het niet in acht nemen van artikel 392 lid 2 Rv Pro door de Kantonrechter nog gevolgen dienen te worden verbonden.
“Partijen kunnen zich zowel uitlaten over de voorgenomen beslissing van de rechter om een vraag te stellen, als over de formulering daarvan. Het behoeft geen betoog dat partijen er groot belang aan kunnen hechten om zich over de vraagstelling uit te laten, omdat de beantwoording daarvan van essentieel belang is voor de uiteindelijke uitkomst van de zaak. Partijen zullen daaraan vooral groot belang hechten indien zij de feitelijke procedure aanhangig hebben gemaakt, (mede) met de bedoeling om de rechter te verzoeken om aan de Hoge Raad een prejudiciële vraag voor te leggen. Vergelijk ook de leden 1 en 2 van artikel 67 Rv Pro (door de rechter te stellen vragen over buitenlands recht).”( [2] )
3.Feiten en procesverloop
( [3] )In de overeenkomst is onder meer opgenomen dat de verhuurder aan Duinzigt de niet exclusieve toestemming geeft de woonruimte van de verhuurder te presenteren aan potentiële huurders door publicatie op de website van Duinzigt of van Pararius of via andere media en dat verhuurder hiervoor geen tegenprestatie verschuldigd is.
( [4] )In de algemene voorwaarden is in art. 17 opgenomen Pro dat [geopposeerde] , indien Duinzigt een woning voor haar huurt, eenmalig een courtage verschuldigd is, gelijk aan één maand huur.
( [5] )de stellingen van [geopposeerde] en Duinzigt als volgt weergegeven (rov. 4.3 en 4.4):
toestemming voor presentatie woonruimte”. De verhuurder is geen tegenprestatie verschuldigd voor het plaatsen van de woning op de website en er worden geen bemiddelingskosten in rekening gebracht. Nu Duinzigt zich, blijkens de overeenkomst met de verhuurder, niet jegens de verhuurder heeft verbonden om een rechtshandeling - bijvoorbeeld het namens de verhuurder sluiten van een huurovereenkomst - te verrichten, moet ervan worden uitgegaan dat geen sprake is van een overeenkomst van lastgeving of van een bemiddelingsovereenkomst tussen haar en de verhuurder. Anders dan [geopposeerde] stelt, heeft Duinzigt bovendien op geen enkel moment in het belang van Schildewoud gewerkt. De huurovereenkomst heeft zij in het belang van [geopposeerde] opgesteld en niet in het belang van Schildewoud, de eerste maand huur heeft zij namens [geopposeerde] aan Schildewoud betaald, de overige termijnen moeten direct aan Schildewoud worden betaald, de huur moet bij Schildewoud worden opgezegd, met alleen een kopie aan Duinzigt, en de bezichtigingen heeft zij ten behoeve van [geopposeerde] gedaan. Het is gebruikelijk dat de verhuurder daarbij niet aanwezig is. (…).”
4.Herformulering door Duinzigt en ACM van de gestelde prejudiciële vraag
“dat [geopposeerde] niet voldoende heeft gesteld om aan te nemen dat Duinzigt iets anders met Schildewoud is overeengekomen dan het, zonder vergoeding, plaatsen van de woning op de website van Duinzigt.”Bij dat vertrekpunt komt de door de Kantonrechter gestelde prejudiciële vraag hierop neer of het enkele feit dat tussen een huurbemiddelaar en een eigenaar van een woning een overeenkomst wordt gesloten waarbij de huurbemiddelaar, zonder daarvoor een vergoeding te verlangen, aan de eigenaar toestemming verleent tot het plaatsen op een website van de huurbemiddelaar van een advertentie inhoudende het te huur aanbieden van de woning, reeds een overeenkomst van lastgeving of bemiddeling inhoudt. De Kantonrechter plaatst de vraag wel nog in het kader van de volgende vijf situaties: (1) de huurbemiddelaar benadert zelf actief de verhuurder voor het plaatsen van een advertentie inzake de te verhuren woning op de website; (2) de verhuurder meldt zelf aan de huurder – (waarschijnlijk wordt bedoeld: huurbemiddelaar) – wanneer woonruimte op de website van de huurbemiddelaar kan worden geplaatst; (3) in de betrokken advertentie op de website van de huurbemiddelaar staat vermeld dat de potentiële huurder contact dient op te nemen met de huurbemiddelaar, terwijl er in de advertentie geen contactgegeven betreffende de verhuurder zijn opgenomen; (4) in de advertentie wordt opgemerkt dat de potentiële huurder zelf contact dient op te nemen met de verhuurder; (5) in de advertentie wordt opgemerkt dat de potentiële huurder zelf contact dient op te nemen met een andere huurbemiddelaar.
( [6] )Daarbij speelt op de achtergrond het volgende. Uit hoofde van de Wet handhaving consumentenbescherming houdt ACM toezicht op oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten. Als een zodanige oneerlijke handelspraktijk beschouwt ACM ook het in rekening brengen door een huurbemiddelaar van kosten van bemiddeling tegelijkertijd aan zowel de verhuurder als - in strijd met artikel 7:417 lid 4 BW Pro - de huurder, die tevens consument is. ACM heeft in 2013 onderzoek naar deze praktijk laten uitvoeren. De bevindingen van het onderzoek heeft ACM aanleiding gegeven om contact op te nemen met huurbemiddelaars, waaronder Duinzigt. Anders dan drie andere huurbemiddelaars heeft Duinzigt geen toezegging aan ACM willen doen om bij tweezijdige huurbemiddeling geen bemiddelingskosten aan de consument/huurder in rekening te brengen. Bij besluit van 26 januari 2015 heeft ACM aan Duinzigt een last onder dwangsom opgelegd om na te laten het in rekening brengen van bemiddelingskosten aan de consument/huurder in geval van tweezijdige huurbemiddeling. Ter zake van die last is tussen ACM en Duinzigt op de voet van artikel 5:32a lid 2 Awb overeengekomen, dat de termijn voor uitvoering van de last zonder dat een dwangsom wordt verbeurd veertien dagen na de uitspraak van de Hoge Raad omtrent de onderhavige prejudiciële vraag.
( [7] )In verband met genoemde last in het bijzonder maar ook met het oog op de praktijk van tweezijdige huurbemiddeling meer in het algemeen achten Duinzigt en ACM het van belang dat de door de Kantonrechter gestelde prejudiciële vraag door de Hoge Raad tegen een ruimere feitelijke achtergrond wordt beoordeeld en beantwoord. Zij voeren aan dat in de praktijk in geval van plaatsing van een advertentie betreffende de te verhuren woning op de website nog meer taken door huurbemiddelaars worden uitgevoerd. Genoemd worden: (a) het dienen als aanspreekpunt met betrekking tot de te verhuren woning, (b) het verzorgen van bezichtigingen, (c) het verzorgen van foto’s van het te verhuren object, (d) het opstellen van de huurovereenkomst, (e) het doen van onderzoek naar (de gegoedheid van) de huurder, (f) het dienen als aanspreekpunt ten aanzien van de financiële aspecten van de huurovereenkomst (onder meer in verband met het innen van de waarborgsom en het innen van de huur) en (g) het dienen als aanspreekpunt voor de opzegging.
( [8] )Blijkens de samenvatting door de Kantonrechter van de stellingen van [geopposeerde] en van Duinzigt in de hierboven geciteerde rov. 4.3 en 4.4 is aangevoerd dat Duinzigt een aantal van de hiervoor genoemde taken in het onderhavige geval ook heeft uitgevoerd.
( [9] )herformuleert Duinzigt de prejudiciële vraag in haar Schriftelijke Opmerkingen als volgt:
( [10] )
Enkele opmerkingen over de overeenkomsten van lastgeving en bemiddeling in het algemeen en de artikelen 7:417 en 7:427 BW in het bijzonder
( [11] )Welke feitelijke werkzaamheden door de makelaar zijn te verrichten valt niet in zijn algemeenheid aan te geven. Bepalend daarvoor zullen zijn de concreet afgesloten overeenkomst en de omstandigheden van het geval, waarop die overeenkomst betrekking heeft.
( [12] )Gelet op deze achtergrond, is dat element niet als een essentiale van de bemiddelingsovereenkomst te beschouwen maar als de resultante van een wetstechnische overweging. Anders gezegd, ook de bemiddelingsovereenkomst waarbij geen loon ten behoeve van de bemiddelaar is overeengekomen, kan worden beschouwd als een bemiddelingsovereenkomst waarop de artikelen 7:425 en 7427 BW van (overeenkomstige) toepassing zijn.
( [13] )
( [14] ), waarin onder meer een wijziging van het in afdeling 3 van titel 7 van Boek 7 BW voorkomende artikel 7:427 BW Pro is opgenomen. Die wijziging bestaat uit de toevoeging van een tweede zin aan het artikel, welke zin luidt: “De artikelen 7:417 en 7:418 BW zijn mede van overeenkomstige toepassing, indien de tussenpersoon geen recht op loon heeft. Met die toevoeging wordt beoogd een verduidelijking aan te brengen, die als volgt wordt toegelicht:
( [15] )
( [16] )Voor het geval dat een lastgever een persoon is die de opdracht anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep uitvoert, eist lid 2 van artikel 7:417 BW Pro dat deze lastgever schriftelijk ermee instemt dat de lasthebber ook als lasthebber van de wederpartij (de andere lastgever van de lasthebber) optreedt. Lid 3 van artikel 7:417 vermeldt Pro de sanctie op het niet in acht nemen van de voorwaarde in lid 1, indien niet bij overeenkomst ter zijde gesteld, en in lid 2: de lasthebber heeft geen recht op loon jegens de lastgever ten opzichte van wie hij in strijd met de in de leden 1 en 2 gestelde voorwaarden handelt, onverminderd zijn gehoudenheid tot vergoeding van de schade die de betrokken lastgever als gevolg van het handelen van de lasthebber in strijd met de leden 1 en 2 mocht hebben geleden. Van deze bepaling kan niet ten nadele van een lastgever worden afgeweken. De sanctie is dus niet gelegen in nietigheid of vernietigbaarheid van de lastgevingsovereenkomst als zodanig, maar in het vervallen voor de lasthebber van het recht op een beloning.
“Indien een der lastgevers een persoon is als bedoeld in artikel 408 lid Pro 3 –[lees: een natuurlijk persoon die een opdracht heeft verstrekt anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf] –
en de rechtshandeling strekt tot koop of verkoop dan wel huur of verhuur van een onroerende zaak of een gedeelte daarvan of van een recht waaraan de zaak is onderworpen, heeft de lasthebber geen recht op loon jegens de koper of huurder. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de koper of huurder worden afgeweken, tenzij de rechtshandeling strekt tot huur of verhuur van een tot woonruimte bestemd gedeelte van een zelfstandige woning.”Blijkens de formulering ervan gelden de leden 1 en 2 voor de lastgeving in het algemeen, terwijl lid 4 ziet op het geval van het dienen van ‘twee heren’ bij de rechtshandelingen koop/verkoop of huur/verhuur van onroerend goed of een gedeelte daarvan.
( [17] ):
( [18] )
Nadere beschouwing van de door de Kantonrechter gestelde en door Duinzigt en ACM herformuleerde prejudiciële vraag
“de overeenkomst, al dan niet op schrift, waarbij een verhuurder met een huurbemiddelaar is overeengekomen dat deze verhuurder om niet, op een website van de huurbemiddelaar, de woonruimte of woonruimten, die deze verhuurder wenst te verhuren, vrijblijvend mag plaatsen en dat na plaatsing op deze website voor een ieder kenbaar is dat deze woonruimte of woonruimten, althans vooralsnog, te huur (is/) zijn”.
( [19] )komen tot een bevestigend oordeel onder meer:
( [21] )nog niet voldoende geacht om tot een bemiddelingsovereenkomst tussen verhuurder en makelaar te kunnen concluderen.
“In voornoemde uitspraken werd overwogen dat ‘niet is gebleken dat de bemiddelaar ook voor de verhuurder optrad’ terwijl vaststond dat de bemiddelaar op zijn website de woonruimte (ten behoeve van de verhuurder) te huur had aangeboden (en ook als ‘aanspreekpunt’ voor kandidaat-huurders heeft gefungeerd). Naar mijn mening mag ervan worden uitgegaan dat de bemiddelaar in een dergelijke situatie (ook) in opdracht van de verhuurder bemiddelt. Van ‘bemiddeling’ is immers reeds sprake indien de tussenpersoon verhuurder en huurder slechts met elkaar in contact heeft gebracht, zoals ik hiervoor al opmerkte.”Deze eerdere opmerking luidt:
“Kenmerkend is dat de door de tussenpersoon te verrichten werkzaamheden gericht zijn op het tot stand brengen van een overeenkomst tussen opdrachtgever en derde. Dit betekent dat ook de opdracht, waarbij de tussenpersoon zich slechts verbindt tot het in contact brengen van partijen (terwijl hij bij de onderhandelingen verder niet zal zijn betrokken), als een bemiddelingsovereenkomst valt te kwalificeren. Ook in dat geval zijn de werkzaamheden van de tussenpersoon immers ‘gericht’ op het tot stand brengen van een overeenkomst.”( [22] )
“Zoals in de tweede alinea onder Algemeen al is aangestipt, zal een opdracht van de verhuurder of verkoper kunnen worden afgeleid uit het feit dat de tussenpersoon de te verhuren of te verkopen woning op zijn website heeft geplaatst. Het ligt immers voor de hand dat dit overeenkomstig de wens van de verhuurder of verkoper is geschied en dat daarin een opdracht tot het sluiten van een huur- of koopovereenkomst of tot bemiddeling bij een dergelijke overeenkomst besloten ligt. Met plaatsing op de website zijn immers de belangen van die verhuurder of verkoper gediend. Dat hierin een opdracht besloten ligt, laat zich niet weerleggen door de soms op die website of in de algemene voorwaarden van de tussenpersoon opgenomen mededeling dat de tussenpersoon uitsluitend voor de huurder of koper optreedt. De toepasselijkheid van artikel 417 lid 4 kan Pro dus, als de woning op de website van de tussenpersoon is geplaatst, nauwelijks meer worden omzeild.”
“Dit laatste doet zich in de praktijk veelvuldig voor. Een bemiddelaar kan moeilijk als zodanig voor potentiële huurders optreden, wanneer hij niet al benaderd is door een of meer verhuurders die een huurder zoeken. Bovendien kunnen verhuurders vaak moeilijk inzicht in mogelijke gegadigden krijgen, als zij niet aan een bemiddelaar opgeven dat een woning vrijkomt. Daarin ligt in beginsel een opdracht tot bemiddeling besloten.”( [23] )
“en daarmee juridisch gezien tussen twee opdrachtgevers bemiddelt.”
in beginselrechtens te duiden als een door de makelaar met de adverteerder aangegane overeenkomst van in ieder geval bemiddeling. Van de kwalificatie van de advertentieovereenkomst in die zin kan worden uitgegaan, zolang door de makelaar niet is aangetoond dat bij hem bij het geven van de toestemming voor het plaatsen van de advertentie op zijn website niet de bedoeling heeft voorgezeten om daaraan nog het vervolg te geven van het verrichten ten behoeve van een partij (potentiële verhuurder en/of huurder) van werkzaamheden gericht op het bewerkstelligen van een overeenkomst van huur en verhuur met betrekking tot de in de advertentie genoemde onroerende zaak en hij dat ook niet heeft gedaan.
( [24] )In dat geval is het gevaar van belangenverstrengeling niet te duchten en valt aan de overeenkomst inzake het plaatsen van de advertentie ten opzichte van de makelaar geen andere betekenis toe te kennen dan de betekenis die toekomt aan de overeenkomst met een ander medium, bijvoorbeeld een nieuwsblad, te weten het bieden van ruimte voor het verstrekken van informatie.
( [25] )Maar het is aan de makelaar om dat aan te tonen.
Beantwoording van de door de Kantonrechter geformuleerde prejudiciële vraag.