ECLI:NL:PHR:2022:93

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2022
Publicatiedatum
31 januari 2022
Zaaknummer
21/00252
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 338 SvArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervoer van circa acht kilogram cocaïne via verborgen ruimte in bestelauto

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 34 maanden gevangenisstraf wegens het opzettelijk vervoeren van circa acht kilogram cocaïne. De zaak draaide om de vraag of de cocaïne in de fietstassen van een medeverdachte afkomstig was uit dozen die de verdachte eerder die dag in een Mercedes Citan had aangevoerd en waarvan de bestelauto een verborgen ruimte bevatte.

De rechtbank sprak de verdachte vrij wegens onvoldoende bewijs, maar het hof vernietigde dit vonnis en achtte het bewezen dat de verdachte de cocaïne had vervoerd. Het hof baseerde zich op observaties, DNA-onderzoek van een handschoen in de verborgen ruimte, WhatsApp-berichten tussen verdachte en medeverdachte, en het feit dat de verdachte geen verklaring gaf die een alternatieve scenario rechtvaardigde.

De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was, onder meer omdat de identiteit van de man die de dozen in de woning bracht onbekend bleef en er geen residu van cocaïne in de dozen was aangetroffen. Ook werd aangevoerd dat de observatie niet continu was en dat alternatieve scenario's mogelijk waren.

De Hoge Raad overwoog dat het hof binnen zijn beoordelingsvrijheid heeft geoordeeld dat het meest voor de hand liggende scenario juist is en dat alternatieve scenario's zo onwaarschijnlijk zijn dat zij terzijde kunnen worden gesteld. De cassatie klaagt onvoldoende motivering en bewijsvoering aan, maar deze klachten faalden. Het middel wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; veroordeling tot 34 maanden gevangenisstraf bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/00252
Zitting1 februari 2022
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
I.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 25 januari 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierendertig maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van twee in beslag genomen, nog niet teruggegeven voertuigen, een en ander zoals in het bestreden arrest vermeld.
Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
II. H
et middel
3. Het middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet, althans niet zonder meer, kan volgen dat de in de fietstassen aangetroffen cocaïne afkomstig is uit de dozen die door de verdachte zijn vervoerd, zodat de bewezenverklaring en/of de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen is/zijn omkleed.
III.
De zaak
4. Kort geschetst, houdt gezien de stukken van het geding de zaak het volgende in. Op 18 juni 2019 komt de verdachte in een Mercedes-Benz Citan (verder: de Mercedes) aan bij een woning in Tiel. Die woning wordt onder observatie gehouden. Daar wordt door een (onbekend gebleven) blanke man contact gemaakt met de verdachte. Uit de laadruimte van de Mercedes worden vier dozen gehaald. De blanke man loopt met de dozen de woning in. De verdachte verlaat de laadruimte en rijdt als bestuurder met de Mercedes weg. Men ziet dat een viertal uren later iemand (medeverdachte [betrokkene 1] ) met een fiets uit de woning komt. De fiets heeft op de bagagedrager een dubbele fietstas, waarin diverse pakketten met cocaïne worden aangetroffen. In de Mercedes blijkt zich een verborgen ruimte te bevinden. De verdachte wordt tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 18 juni 2019 te TieI en/of de rijksweg A2 en/of de rijksweg A15 tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad en/of vervoerd (ongeveer) acht kilogram, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
De rechtbank heeft de verdachte daarvan vrijgesproken, omdat, aldus de rechtbank, de verdachte niet is te koppelen aan de aangetroffen cocaïne.

IV. De bewezenverklaring en de bewijsvoering

5. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2019 in de strafzaak tegen de verdachte echter vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de bewijsvraag tot een andere beslissing komt dan de rechtbank. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 18 juni 2019 te Tiel en de rijksweg A2 opzettelijk heeft vervoerd (ongeveer) acht kilogram van een materiaal bevattende cocaïne”
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal van observatie, opgemaakt op 20 juni 2019 in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren S.100058, L115, L109, L110, L144, L174, L176 en L186 (ZD07 dossierpagina’s 6 tot en met 8).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededelingen van de verbalisanten (of één van hen):
Wij, verbalisanten, werkzaam bij de Eenheid Limburg, hebben op 18 juni 2019 tussen 12.15 uur en 16.20 uur geobserveerd en daarbij hebben wij de volgende waarnemingen, bevindingen gedaan en/of handelingen verricht.
Personalia subject : [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990 te
Paramaribo, nader te noemen: [verdachte] .
Omstreeks
Verbalisant
Omschrijving bevindingen
12.15 uur
L110
Ik zag dat de bedrijfsauto, merk Mercedes, type Citan, kenteken [kenteken 1] , over de A2 reed ter hoogte van
Maarheze, in noordelijke richting.
12.28 uur
L109 en L186
Wij zagen dat de Mercedes [kenteken 1] stil stond achter de
shop van het tankstation genaamd Shell Floraplein te
Eindhoven. Wij zagen dat de bestuurder, [verdachte] ,
nog in de Mercedes [kenteken 1] zat en dat hij in gesprek
was met een man, hierna te noemen NN1, die bij het
geopende portierraam stond.
12.38 uur
L109 en L186
Wij zagen dat NNI als bestuurder en enige inzittende in
een personenauto, merk Citroen DS3, gekentekend [kenteken 2]
stapte en hiermee wegreed. Wij zagen dat kort
hierna ook de Mercedes [kenteken 1] met [verdachte] als
enige inzittende vertrok.
13.20 uur
L115
Ik zag dat de [kenteken 1] stopte op de
[a-straat] te Tiel ter hoogte van [a-straat 1] . Voorts
zag ik dat de Citroen [kenteken 2] over de [b-straat]
reed en in het doodlopende gedeelte
parkeerde.
13.21 uur
L115 en L174
Ik, L174, zag dat een blanke man vanaf de oprit van de
woning [a-straat 1] te Tiel liep en contact maakte met [verdachte] . Ik zag dat deze man vervolgens 2 keer
een Gamma verhuisdoos uit de laadruimte van de
Mercedes [kenteken 1] pakte en met deze Gamma
verhuisdoos de woning [a-straat 1] naar binnen
liep. Ik, L115, zag dat genoemde blanke man een derde
keer met een Gamma verhuisdoos met daarop nog een
doosje de woning [a-straat 1] via de voordeur
naar binnen liep. Ik, L174, zag dat [verdachte] uit de
laadruimte van de Mercedes [kenteken 1] kwam en als
bestuurder weer plaatsnam.
13.35 uur
L115
Ik zag dat de Mercedes [kenteken 1] vertrok met [verdachte]
als enige inzittende.
13.37 uur
L176
Ik zag dat de Mercedes [kenteken 1] naast de Citroen
[kenteken 2] parkeerde en dat [verdachte] plaatsnam op de
bijrijdersplaats van de Citroen [kenteken 2] .
13.39 uur
L176
Ik zag dat [verdachte] weer plaatsnam als bestuurder in
de Mercedes [kenteken 1] en dat zowel de Citroen [kenteken 2]
als de Mercedes [kenteken 1] met alleen de bestuurders in
deze voertuigen vertrok.
16.20 uur
Einde observatie
Wij, L115, L144 en L176, herkenden [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1990 te Paramaribo, aan de hand van een door het tactisch team ter beschikking gestelde foto.
2. Een proces-verbaal van observatie van 19 juni 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-058, T-624, T-076, T-677 en T-529 (ZD07 dossierpagina’s 1 en 2).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededelingen van de aan Team Opsporing van de Eenheid Amsterdam verbonden verbalisanten (of één van hen):
Op 18 juni 2019 om 16.20 uur hebben wij de observatie op perceel [a-straat 1] te Tiel overgenomen van het observatieteam van de Eenheid Limburg.
Wij, T-529 en T-624, zagen om 17.28 uur dat er een man (het hof begrijpt: de medeverdachte [betrokkene 1] ) met een fiets de woning uit de [a-straat 1] kwam. Wij zagen dat deze fiets voorzien was van een fietstas. Wij zagen dat man met een telefoon in de hand stil stond maar een minuut later weg fietste. Daarop is de man in de [a-straat] aangehouden.
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-968 en T-965 (AD02 dossierpagina’s 15 tot en met 17).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededelingen van de verbalisanten (of één van hen):
Op 19 juni 2019 hebben wij op de locatie [c-straat 1] te Amsterdam een in beslag genomen voertuig, een Mercedes Citan voorzien van kenteken [kenteken 1] , doorzocht. Bij deze doorzoeking is de forensisch expert van de eenheid Amsterdam aangesloten. Hij constateerde dat er niet-originele bedrading in het voertuig aanwezig was, waardoor het vermoeden ontstond dat er mogelijk verborgen ruimtes aanwezig zouden kunnen zijn in het voertuig. Na verder onderzoek aan het voertuig werd een verborgen ruimte aangetroffen in het laadcompartiment, welke te openen was vanuit de ruimte waar de bestuurder zich bevindt.
4. Een geschrift, zijnde een niet ondertekend proces-verbaal forensisch onderzoek vervoermiddel met nummer PL1300-2019126054-27, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (niet doorgenummerde pagina’s).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op 22 juli 2019 voerde ik een forensisch onderzoek uit aan het voertuig dat stond geparkeerd op het afgesloten parkeerterrein van de [c-straat 1] te Amsterdam.
Voertuig : bestelauto
Merk/type : Mercedes-Benz Citan
Land : Nederland
Kenteken : [kenteken 1]
Bevindingen
Ik zag dat het voertuig aan de passagierszijde was voorzien van een schuifdeur. Ik zag dat de vloer van de laadruimte was te bedienen door het contact aan te zetten van het voertuig en een magneet, ter hoogte van de handrem, tegen de middenconsole aan te plaatsen. Ik zag dat er onder de vloer een open ruimte zichtbaar was geworden. Ik zag in de open ruimte een setje handschoenen liggen. Ik heb de linkerhandschoen veiliggesteld en in een
breathable baggedaan voorzien van SIN AAMB8531NL.
Sporendragers
Goednummer : PL1300-2019126054-5782704
SIN : AAMB853INL
Object : Handschoen
Bijzonderheden : links
5. Een deskundigenverslag, zijnde een rapport van het Nederland Forensisch Instituut (NFI) van 19 november 2019, zaaknummer 2019.10.01.111 (aanvraag 001), met opschrift ‘DNA-onderzoek naar aanleiding van een overtreding van de Opiumwet in Tiel op 18 juni 2019’, opgemaakt door NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA [betrokkene 2] (niet doorgenummerde pagina’s).
Dit deskundigenverslag houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
DNA-onderzoek
Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:
AALT5664NL#01 een bemonstering (binnenkant handschoen; AAMB8531NL)
Resultaten, interpretatie en conclusie
Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] RAAP2501NL (geboren op [geboortedatum] 1990) is met de DNA-profielen van de bemonsteringen vergeleken.
Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek
AALT5664NL#01 (
binnenkant handschoen)
DNA-mengprofiel van minimaal drie personen
Afgeleid DNA-hoofdprofiel
DNA-nevenkenmerken
Onbekende man A
Verdachte [verdachte] en nog minimaal één onbekende persoon
kleiner dan 1 op 1 miljard
Zie ‘Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek’
Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
Voor het berekenen van de bewijskracht van de overeenkomsten tussen het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] en het DNA-mengprofiel AALT5664NL#01 zijn de volgende aannames gedaan:
- de bemonstering AALT5664NL#01 bevat DNA van drie personen;
- de onbekende personen in dit mengsel zijn niet onderling of aan verdachte [verdachte] verwant.
Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:
Hypothese 1 : De bemonstering bevat DNA van de verdachte [verdachte] en twee
willekeurige onbekende personen.
Hypothese 2 : De bemonstering bevat DNA van drie willekeurige onbekende personen.
Het verkregen DNA-mengprofiel AALT5664NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese I waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
6. Een proces-verbaal van bevindingen van 4 juli 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (ZD05 dossierpagina’s 7 en 8).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van de verbalisant:
Op 18 juni 2019 is voor de deur van het adres [a-straat 1] te Tiel een verdachte aangehouden. De verdachte zat tijdens de aanhouding op een fiets. Op de bagagedrager van de fiets zat een dubbele fietstas. Er is een onderzoek naar de fietstas gedaan. In de fietstas zat een blauwe AH-tas met daarin een dichte oranje tas. De oranje tas is geopend. Daarin waren vervolgens blokken zichtbaar. De blauwe tas met daarin de oranje tas met daarin de blokken zijn overgedragen aan het forensisch lab van de Nationale Politie, eenheid Amsterdam.
7. Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming van 19 juni 2019, opgemaakt door opsporingsambtenaar T-624 (ZD05 dossierpagina’s 71 en 72).
[…]
8. Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming van 19 juni 2019, opgemaakt door opsporingsambtenaren T-624 en T-934 (ZD05 dossierpagina’s 73 en 74).
[…]
9. Een proces-verbaal bevindingen overzicht cocaïne van 17 september 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-775 (ZD05 dossierpagina 70).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven,
als mededeling van de verbalisant:
Op 18 juni 2019 werd [betrokkene 1] aangehouden. Hij voerde een fiets voorzien van fietstassen met zich. In deze fietstassen werden diverse blokken aangetroffen. Omwille van de snelheid is eerst één van de blokken getest op cocaïne. Dit blok woog precies 1 kg.
De overige blokken zijn gewogen en wegen samen 7,72 kg. […]
10. Een geschrift, zijnde een rapport van het Laboratorium Forensische Opsporing van de politie Eenheid Amsterdam met nummer 0781N19 van 24 juni 2019, opgemaakt door forensisch expert [betrokkene 3] (ZD05 dossierpagina 6).
[…]
11. Een geschrift, zijnde een rapport van het Laboratorium Forensische Opsporing van de politie Eenheid Amsterdam met nummer 0863N19 van 10 juli 2019, opgemaakt door forensisch expert [betrokkene 4] (ZD08 dossierpagina 4).
[…]
12. Een proces-verbaal van bevindingen van 22 augustus 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-841 (ZD05 dossierpagina’s 17 tot en met 20).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van de verbalisant:
Op 18 juni 2019 omstreeks 14.10 uur werd aangehouden [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1990.
Bij de verdachte [verdachte] werd na zijn aanhouding onder andere een iPhone in beslag genomen. Uit onderzoek is vast komen te staan dat bij de in beslag genomen telefoon het telefoonnummer [telefoonnummer 1] hoort. Uit onderzoek in de genoemde telefoon bleek dat [verdachte] tussen maandag 17 juni 2019 en dinsdag 18 juni 2019 veelvuldig WhatApp-contact onderhield (118 maal) met een persoon die in de contactlijst in de telefoon van [verdachte] voorkomt als ‘ [alias] ’ met telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Uit de WhatsApp-historie in de telefoon van [verdachte] blijkt dat hij sinds 12 december 2018 WhatsApp-contact onderhoudt met ‘ [alias] ’.
In de telefoon bevindt zich de volgende WhatsApp-communicatie d.d. 17 december 2018:
[alias] : ik heb een blok nodig
[verdachte] : wat voor blok
[alias] : kijk als er eentje te krijgen is moet letterlijk blok zijn geen poeder
[verdachte] : die kill van me is in su man
WhatsApp-gesprek tussen [verdachte] en [alias] op 17 juni 2019 tussen 12.50 uur en 13.12 uur. [verdachte] vraagt ‘wgjd’ (wat ga je doen).
[alias] zegt ‘Ik zou beetje werken op die auto maar als we moeten bewegen ben ik er’.
[verdachte] zegt ‘Ja er is een btje’, ‘Er is ff een djoenta’.
[alias] zegt ‘Hoe laat’
[verdachte] zegt ‘Ik ga nu ff paar tassen halen’
Uit de database van de ANPR blijk dat het voertuig waarin [verdachte] reed toen hij werd aangehouden, een busje met kenteken [kenteken 1] , via Vianen en Meerkerk naar België is gereden. Uit de data blijkt dat genoemde bus op 17 juni 2019 te 15.35 uur vanuit Nederland bij Hazeldonk de grens naar België over gaat. Vervolgens blijkt uit de data van de ANPR dat genoemde bus op 17 juni 2019 te 21.54 uur bij Hazeldonk vanuit België Nederland weer in rijdt.
13. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-841 en T-850 (PD03 dossierpagina’s 7 tot en met 16).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 29 oktober 2019 tegenover de verbalisanten (V) afgelegde verklaring van
[betrokkene 5](A):
V: Is [telefoonnummer 2] jouw nummer?
A: Ja.
V: Heb je dat nummer al lang?
A: Als het goed is wel. Ik heb hem al zeker wel een jaar, misschien wel langer.
V: Leen je hem wel eens uit?
A: Nee. Mijn telefoon, mijn telefoonnummer, mijn SIM-kaart.
(…)
V: Ik lees nu de WhatsApp van 17 december 2018. Dit komt uit de telefoon van [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte). Wat bedoel je met dat blok?
A: Ik denk dat het drugs is, een blok.
(...)
V: Wanneer heb je [verdachte] voor het laatst gezien?
A: Ik heb een keer achter hem aangereden.
V: Jullie reden met twee voertuigen?
A: Ja, hij reed in een werkauto, een grijze Mercedes.
V: Wat voor auto reed jij?
A: In zijn auto, of die van zijn vriendin, een Citroen. Hij gaf die auto aan mij.
V: Hebben jullie elkaar ontmoet?
A: Weet ik niet meer.
V: Dat was bij een tankstation.
A: Oh ja, nu weet ik het weer. Ik heb hem bij een Shell ontmoet.
V: Jullie zijn [daarna] naar Tiel gegaan?
A: Ja, dat kan.
14. Een proces-verbaal van bevindingen van 22 juli 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-868 (ZD05 dossierpagina’s 12 tot en met 16).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van de verbalisant:
Bij de verdachte [verdachte] werd na zijn aanhouding een iPhone in beslag genomen. Op last van de officier van justitie is deze iPhone onderzocht.
Op 15 mei 2019 heeft [verdachte] een screenshot gemaakt van een encrypted message waarin een NNM/NNV (het hof begrijpt: een onbekend gebleven man of vrouw) opdracht geeft een stevige en snelle auto aan te schaffen van 4 à 5K. De opdrachtgever noemt de auto een ‘auto voor de voorrijder.’. Tevens zegt de opdrachtgever dat [verdachte] deze maand ‘vol’ betaald wordt 15K; de voorrijder krijgt 3K.
15. Een proces-verbaal van bevindingen van 15 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-841 (ZD05 dossierpagina’s 63 en 64).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van de verbalisant:
Naar aanleiding van de verdenking contra verdachte [verdachte] , [geboortedatum] 1990, heb ik een onderzoek ingesteld naar de aankoop van een personenauto merk Citroen, type DS3, kenteken [kenteken 2] door de verdachte.
Uit onderzoek is gebleken dat [verdachte] op 3 juni 2019 genoemde personenauto op zijn naam heeft gesteld. Uit de gegevens van de RDW bleek dat genoemde Citroën op 12 juni 2019 overgeschreven is op naam van [betrokkene 6] .
Op 15 oktober 2019 te 10.45 uur hoorde ik telefonisch als getuige een vrouw genaamd [betrokkene 6] . Zij verklaarde aan mij:
- De personenauto Citroen DS3, kenteken [kenteken 2] staat op mijn naam.
- De auto is niet van mij maar van mijn vriend genaamd [verdachte] .
- Mijn vriend had de auto op 3 juni 2019 gekocht en op zijn naam gezet.
16. Een proces-verbaal van bevindingen van 14 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-841 (ZD05 dossierpagina’s 57 en 58).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven,
als mededeling van de verbalisant:
Naar aanleiding van de verdenking contra verdachte [verdachte] , [geboortedatum] 1990, heb ik een onderzoek ingesteld naar de aankoop van een personenauto merk Citroen, type DS3, kenteken [kenteken 2] door de verdachte.
Uit onderzoek is gebleken dat [verdachte] op 3 juni 2019 genoemde personenauto op zijn naam heeft gesteld. Uit de gegevens van de RDW bleek de vorige eigenaar [te zijn] genaamd [betrokkene 7] . [betrokkene 7] bleek ingevolge de KvK eigenaar te zijn van een autobedrijf genaamd ‘ [A] ’ gevestigd op het adres [d-straat 1] te Ouderkerk aan de Amstel.
Op 11 oktober 2019 tee 10.00 uur hoorde ik op genoemd adres als getuige [betrokkene 7] , die mij het volgende verklaarde:
- De personenauto Citroen DS3, kenteken [kenteken 2] is in mijn bezit geweest.
- Rond 3 juni 2019 belde een onbekende man die interesse had in mijn Citroen DS3, kenteken [kenteken 2] .
- De man die voor de auto kwam stelde zichzelf voor als [betrokkene 8] .
- Na onderhandelen kwamen we een bedrag van € 6.500 overeen.
- [betrokkene 8] betaalde cash.
- Op 3 juni 2019 is de auto overgeschreven op zijn naam.
- Ik weet de echte naam van [betrokkene 8] niet.
17. Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 19 juni 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T-621 (AD02 dossier-pagina’s 11 en 12).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven,
als mededeling van de verbalisant:
Op 18 juni 2019 omstreeks 18.30 uur werd door mij voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning [a-straat 1] te Tiel. Tijdens de doorzoeking werd een Samsung telefoon in beslag genomen (het hof: en dus geen andere voor inbeslagname vatbare goederen). Op 18 juni 2019 te 19.36 uur werd de zoekplaats verlaten.
18. Een proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren T-621, T-950 en T-058 (ZD05 dossierpagina’s 1 tot en met 3).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven,
als mededelingen van de verbalisanten (of één van hen):
Ik, T-621, zag tijdens de doorzoeking van de woning [a-straat 1] te Tiel een viertal kartonnen dozen van de Gamma liggen. Ik zag in deze dozen (het hof: niets anders dan) een hoeveelheid zaagsel liggen.”
7. Het hof heeft onder het kopje ‘Bewijsoverweging en voorwaardelijk verzoek’ nog het volgende overwogen:
“De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken en heeft verzocht het vonnis in zoverre te bevestigen. Daartoe heeft hij, kort gezegd, aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de in de fietstas van de medeverdachte [betrokkene 1] aangetroffen cocaïne eerder die dag (mede) door de verdachte is aangevoerd. Voor het geval het hof het in de
breathable evidence bag(waarin de tassen met daarin de cocaïne na inbeslagneming zijn bewaard) aangetroffen ‘zaagsel’ zou aanmerken als een verbindende factor in de bewijsconstructie, heeft de raadsman verzocht door het Nederlands Forensisch Instituut een (vergelijkend) onderzoek naar het ‘zaagsel’ te laten verrichten.
Het hof overweegt als volgt.
Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen neemt het hof als vaststaand aan dat:
- de medeverdachte [betrokkene 5] (‘ [alias] ’) op 17 december 2018 een WhatsApp-bericht naar de verdachte heeft gestuurd waarin hij meldt dat hij een ‘blok’ nodig heeft, over welk blok [betrokkene 5] later heeft verklaard dat hij denkt dat het daarbij om drugs ging;
- de verdachte op 15 mei 2019 een screenshot heeft gemaakt van een versleuteld bericht waarin een onbekend gebleven persoon hem opdracht geeft om voor de ‘voorrijder’ een stevige en snelle auto aan te schaffen van 4 á 5K (het hof begrijpt: vier- á vijfduizend euro). Tevens laat die opdrachtgever [verdachte] weten dat hij deze maand 15K (het hof begrijpt: vijftienduizend euro) betaald krijgt en dat de voorrijder 3K (het hof begrijpt: drieduizend euro) krijgt;
- de verdachte op 17 juni 2019 per WhatsApp-bericht aan [betrokkene 5] heeft meegedeeld dat er ‘djoenta’ (het hof begrijpt: werk) is;
- de verdachte die middag (van 17 juni 2019) in een Mercedes Citan met kenteken [kenteken 1] naar België is gereden om ’s avonds weer terug te keren naar Nederland;
- de Mercedes Citan een verborgen ruimte heeft en dat daarin een handschoen is aangetroffen, waarop zich DNA-materiaal bevond waarvan de verdachte, zo concludeert het hof, de donor is geweest;
- de verdachte en [betrokkene 5] elkaar de volgende ochtend op 18 juni 2019 bij een tankstation langs de A2 nabij Eindhoven hebben ontmoet en vanaf daar, ieder in een eigen auto, naar een woning aan de [a-straat 1] in Tiel zijn gereden. De verdachte reed in de Mercedes Citan. [betrokkene 5] reed in een Citroen DS3 met kenteken [kenteken 3] die door de verdachte op 3 juni 2019 voor € 6.500,00 was aangeschaft en op zijn naam was gesteld; op 12 juni 2019 is dit voertuig vervolgens op naam gesteld van de vriendin van de verdachte, genaamd [betrokkene 6] ;
- direct na aankomst bij die woning omstreeks 13:20 uur een onbekend gebleven man contact maakte met de verdachte en vervolgens vanuit de laadruimte van de Mercedes Citan vier dozen naar de woning heeft gebracht, waarna de verdachte de laadruimte verliet en weer als bestuurder in de Mercedes Citan plaatsnam;
- de woning vervolgens onder observatie is gehouden totdat om 17:28 uur [betrokkene 1] met een fiets uit de woning kwam. In de op die fiets bevestigde fietstas bleken pakketten met in totaal 8,72 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne te zitten;
- in het tijdsbestek tussen het moment dat de onbekend gebleven, blanke man met de dozen de woning in liep (omstreeks 13:20 uur) en het verlaten van de woning door [betrokkene 1] (om 17:28 uur) geen persoon de woning heeft betreden dan wel verlaten (waarbij het hof aantekent dat de tactische recherche om 16:20 uur de observatie heeft overgenomen van het observatieteam en er in dat tijdsbestek dus onophoudelijk zicht op de woning is geweest);
- bij doorzoeking van de woning lege dozen, maar geen contrabande zijn aangetroffen.
Bij die stand van zaken is het meest voor de hand liggende scenario dat de op 18 juni 2019 bij [betrokkene 1] aangetroffen cocaïne enkele uren daarvoor door de verdachte in dozen is aangevoerd in de Mercedes Citan. De verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend, maar heeft om hem moverende redenen geen antwoord willen geven op vragen naar de exacte omstandigheden rondom de autorit en de situatie bij de woning. Aldus heeft hij geen aanknopingspunten aangereikt die een andere interpretatie van de vastgestelde feiten kunnen rechtvaardigen. Daarvoor zijn ook overigens geen solide aanknopingspunten in het dossier te vinden. Daarom komt het hof tot de slotsom dat de conclusie die al voor de hand lag, juist is.
Het tenlastegelegde kan dus wettig en overtuigend worden bewezen. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt in alle onderdelen verworpen, met dien verstande dat het hof niet bewezen acht dat de verdachte in vereniging met een of meer anderen heeft gehandeld.
Het voorwaardelijk gedane verzoek behoeft geen nadere bespreking, omdat aan de daaraan verbonden voorwaarde niet is voldaan.”
V.
Het verweer
8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 december 2020 en 25 januari 2021 heeft de raadsman toen en aldaar het woord ter verdediging gevoerd en het hof verzocht het vonnis van de rechtbank (grotendeels) te bevestigen. In dat verband is, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd:
“De hamvraag in deze zaak is hoe de verdovende middelen in de woning aan de [a-straat 1] te Tiel terecht zijn gekomen. Een aantal omstandigheden in deze zaak is verdacht en roept derhalve in het kader van de ernstige bezwaren vragen op. Maar deze omstandigheden kunnen niet de toets van de door het hof te beantwoorden vragen van 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering doorstaan, althans niet in het nadeel van cliënt.
Ondanks dat het observatieteam er met zijn neus bovenop stond, is onduidelijk gebleven wie op 18 juni 2019 de dozen vanuit de bus de woning in heeft gedragen. De identiteit van deze blanke man is tot op heden onbekend gebleven. In ieder geval kan worden vastgesteld dat dit niet cliënt of de medeverdachte [betrokkene 1] is geweest. Uit het dossier blijkt verder dat ongeveer vijf uur nadat cliënt bij de woning is gezien [betrokkene 1] uit die woning is gekomen met in zijn fietstassen een hoeveelheid cocaïne. Bovendien is de observatie om 16.15 uur afgebroken, terwijl [betrokkene 1] om 17.28 uur is aangehouden. Niemand heeft [betrokkene 1] de woning binnen zien gaan. Het blijft een groot mysterie wat zich in de tussentijd in de woning heeft afgespeeld; er is van alles mogelijk in dat tijdsbestek. Niet uitgesloten is dat de cocaïne al in de woning lag. [betrokkene 1] heeft als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat hij cliënt niet kent en de blokken cocaïne ook niet van cliënt heeft ontvangen. Daarbij verdient opmerking dat op de blokken geen sporen van cliënt zijn aangetroffen, maar alleen van medeverdachte [betrokkene 1] . In de woning zijn lege dozen aangetroffen. De vraag is of die dozen bij binnenkomst überhaupt gevuld waren. Er bestaat geen enkele relatie tussen de dozen en cocaïne. Zo is er bijvoorbeeld geen residu van cocaïne in de dozen aangetroffen. Hetzelfde geldt voor de laadruimte of de stash van de Mercedes Citan. Wel is er cocaïne aangetroffen in de fietstassen van [betrokkene 1] . De vraag die ik aan het hof wil voorleggen is: hoe verhoudt zich het feit dat in de fietstassen acht kilogram cocaïne is aangetroffen met de omstandigheid dat uit de bus vier dozen naar de woning zijn gedragen? Het verpakken van acht kilogram cocaïne in vier dozen is erg onlogisch. Met betrekking tot de aangetroffen stukjes zaagsel is gerelateerd dat in eerste instantie niet bleek dat er op/bij de pakketten cocaïne zaagsel is aangetroffen. De blokken zijn in de fietstas aangetroffen in een Albert Heijn-tas. Die Albert Heijn-tas is door het onderzoeksteam in een vuilniszak verpakt. Vervolgens is de AH-tas uit de vuilniszak gehaald, is de vuilniszak weggegooid en zijn de blokken uit de AH-tas in een breathable evidence bag gestopt. Op enig moment daarna is de breathable evidence bag uitgeklopt, waarbij minuscule deeltjes zijn aangetroffen. Het openbaar ministerie merkt deze deeltjes aan als ‘bindmiddel’ tussen de blokken cocaïne en de uit de Mercedes Citan afkomstige dozen. Bij deze stand van zaken had het op de weg van het openbaar ministerie gelegen om nader onderzoek te laten verrichten naar de aangetroffen deeltjes in de breathable evidence bag en het zaagsel in de dozen in de woning. Een dergelijk vergelijkend onderzoek heeft niet plaatsgevonden. Ten aanzien van het bericht van medeverdachte [betrokkene 5] van december 2018 waarin hij op zoek is naar een ‘blok’ en het bericht van 15 mei 2019 waarin wordt gesproken over een ‘voorrijder’ merk ik op dat zij mogelijk vragen oproepen, maar de berichten hoeven geen betrekking te hebben op het tenlastegelegde. Zo blijkt bijvoorbeeld niets over de aard van eventueel te vervoeren stoffen of de reden waarom een voorrijder wordt gezocht. Onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2011:BP0291 bestrijd ik voorts dat het een feit van algemene bekendheid is dat verdovende middelen vanuit België naar Nederland worden vervoerd met voorrijders. Bovendien kan die algemene vaststelling bezwaarlijk in een bewijsconstructie ten aanzien van een specifiek delict worden gebruikt. In deze zaak is sprake van een politieonderzoek met de nodige lacunes. Zo zijn bepaalde mensen niet aangehouden, zijn observaties niet goed weergegeven in processen-verbaal en is een observatie vroegtijdig afgebroken. Hierdoor zijn allerlei scenario’s open gebleven en is sprake van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat cliënt het tenlastegelegde feit heeft begaan. Gelet op het voorgaande stel ik mij primair op het standpunt dat cliënt moet worden vrijgesproken.”

VI. De bespreking van het middel

Het juridisch kader

9. Ingevolge het bepaalde in art. 338 Sv Pro kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan slechts worden aangenomen, indien de feitenrechter daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen. De vrijheid van bewijsselectie- en waardering komt toe aan de feitenrechter. [1] Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake selectie en waardering, die – behoudens bijzondere gevallen – geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. [2] De invoering van de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv (in 2005) heeft geen wijziging gebracht in het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de rechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [3]
10. Over alternatieve lezingen van het beschikbare bewijsmateriaal heeft mijn voormalige ambtgenoot Knigge een lezenswaardige conclusie geschreven, die aan HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:535 voorafgaat. Ik citeer daaruit:
“5.3. Het verschil in uitkomst in eerste aanleg en in hoger beroep kan niet, of maar zeer ten dele, verklaard worden uit een andere – aan de feitenrechter voorbehouden – waardering van de betrouwbaarheid van het voorhanden bewijsmateriaal. Het verschil zit in de conclusies die uit dat (betrouwbaar geoordeelde) bewijsmateriaal kunnen worden getrokken. De vraag waarover de Rechtbank en het Hof verschillend oordelen, is met andere woorden of het wettig bewijs geleverd is, of het gepresenteerde bewijs toereikend is in die zin dat daaruit de conclusie kan worden getrokken dat het bewezenverklaarde scenario juist is. Dat kan alleen als dat bewijs maakt dat aan andere scenario’s voorbij kan worden gegaan.
5.4. Het is daarbij niet zo dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen als het tenlastegelegde scenario waarschijnlijker is dan andere scenario’s. Het bewijsmateriaal waarop de rechter zijn oordeel baseert, moet andere scenario’s zo niet uitsluiten dan toch in elk geval maken dat zij als hoogst onwaarschijnlijk terzijde kunnen worden geschoven. Dat is het geval als alternatieve scenario’s zo onwaarschijnlijk zijn dat in redelijkheid niet aan de juistheid van het bewezenverklaarde scenario kan worden getwijfeld. Het feit dat die andere scenario’s minder waarschijnlijk zijn, of niet aannemelijk zijn geworden, is dus niet, althans niet zonder meer, voldoende om het bewijs geleverd te achten.
5.5. Het is evenmin zo dat de rechter alleen aan een andere gang van zaken dan de bewezenverklaarde aandacht hoeft te besteden als daarop door de verdediging een beroep is gedaan. Het uitgangspunt is dat de bewijsvoering sluitend moet zijn. Alleen voor hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheden geldt dat zij niet hoeven te worden uitgesloten.Andere, minder onwaarschijnlijke mogelijkheden moeten dus wel worden uitgesloten, ook als daarop geen beroep is gedaan. De complicatie die zich daarbij voordoet, is dat in grensgevallen aan het al dan niet gevoerd zijn van een bepaald verweer betekenis toekomt bij de vraag of een andere (niet uitgesloten) mogelijkheid voor hoogst onwaarschijnlijk kan worden gehouden. Het feit dat de verdachte zich op die alternatieve gang van zaken beroept, maakt in de regel dat sprake is van een serieus te nemen mogelijkheid. De andere kant van die medaille is dat, als de verdachte niet aanvoert dat de gang van zaken een andere is geweest, dat alternatief nog verder aan waarschijnlijkheid inboet.
5.6. Het gaat bij de hier bedoelde verweren niet om het beroep op een theoretische mogelijkheid – om het leggen van de vinger bij een mogelijkheid die door het bewijsmateriaal niet wordt uitgesloten – , maar om de stellige bewering dat het anders is gegaan dan de tenlastelegging inhoudt. Het is die feitelijke bewering die het alternatieve scenario tot meer maakt dan een theoretische mogelijkheid. De veronderstelling is daarbij dat de verdachte de ware toedracht kent. Die kennis geeft aan zijn bewering een bijzonder gewicht. Die kennis geeft ook betekenis aan het uitblijven van een beroep op een andere gang van zaken. Als er niet vanuit kan worden gegaan dat de verdachte weet wat er is gebeurd, kan het feit dat hij op een bepaald alternatief scenario geen beroep heeft gedaan, geen gewicht in de schaal leggen.”
Mijn bespreking
11. Het hof heeft op basis van de voor het bewijs gebezigde feiten en omstandigheden geoordeeld dat het meest voor de hand liggende scenario is dat de op 18 juni 2019 bij [betrokkene 1] aangetroffen cocaïne enkele uren daarvoor door de verdachte in dozen is aangevoerd in de Mercedes. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat (i) de verdachte vragen naar de exacte omstandigheden rondom de autorit en de situatie bij de woning niet heeft willen beantwoorden en aldus geen aanknopingspunten heeft aangereikt die een andere interpretatie van de (door het hof) vastgestelde feiten kunnen rechtvaardigen en (ii) daarvoor ook overigens geen solide aanknopingspunten in het dossier zijn te vinden. Dat een en ander brengt het hof in het kader van de vastgestelde feiten en omstandigheden tot de slotsom “dat de conclusie die al voor de hand lag, juist is” en dat het tenlastegelegde dus wettig en overtuigend kan worden bewezen.
12. Aan het middel is de opvatting ten grondslag gelegd, dat het bekomen van een rechterlijke overtuiging zoals bedoeld in art. 338 Sv Pro bepaald iets anders is dan dat de rechter uit een aantal scenario’s de meest voor de hand liggende uitkiest, zoals het hof volgens de stellers van het middel in casu heeft gedaan, en dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de in de fietstassen aangetroffen cocaïne afkomstig is uit de dozen die door verdachte zijn vervoerd. Dit zou te meer klemmen nu het hof bij de bewijsconstructie een whatsapp-bericht over een 'blok' en een gesprek omtrent de 'voorrijder' heeft betrokken, die ruim een half jaar respectievelijk een maand voor het tenlastegelegde plaatsvonden, “zodat ook deze bewijsmiddelen niet (althans niet zonder meer) redengevend zijn voor het bewijs en kunnen bijdragen aan de vaststelling dat de op die dag aangetroffen cocaïne door verdachte in de Mercedes is vervoerd”.
13. Ik meen dat de in het middel vervatte klacht geen doel treft. Gezien de bewijsvoering van het hof, is zijn slotsom gegrond op het volgende (ik som kort op):
(i) de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden;
(ii) het uitblijven van een verklaring van de verdachte met betrekking tot zijn autorit naar eerst België en vervolgens naar de woning aan de [a-straat 1] te Tiel;
(iii) het uitblijven van een verklaring van de verdachte met betrekking tot de situatie bij de woning;
(iv) de constatering dat de verdachte geen aanknopingspunten heeft aangereikt die een andere interpretatie van de vastgestelde feiten kunnen rechtvaardigen;
(v) het ontbreken van solide aanknopingspunten daarvoor in het dossier.
14. De kennelijke opvatting van de stellers van het middel dat de door het hof gebezigde bewoordingen de suggestie voeden dat het hof de lat voor zichzelf lager heeft gelegd dan de op basis van art. 338 Sv Pro geldende eis dat de rechter op de voorgeschreven wijze tot de overtuiging moet komen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, kan ik dan ook niet volgen. [5]
15. Voor zover het middel klaagt dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de in de fietstassen aangetroffen cocaïne afkomstig is uit de dozen die door verdachte zijn vervoerd, gaat ook deze klacht mijns inziens niet op. Weliswaar volgt niet rechtstreeks uit deze bewijsmiddelen dat de cocaïne afkomstig is uit de dozen die de verdachte in de Mercedes vervoerd heeft en die bij de woning zijn uitgeladen. Maar het hof heeft zijn oordeel dat het meest voor de hand liggende scenario is dat de op 18 juni 2019 bij [betrokkene 1] aangetroffen cocaïne enkel uren daarvoor door de verdachte is aangevoerd in de Mercedes, niet enkel gebaseerd op zijn overwegingen die ik in randnummer 13 in (ii) tot en met (v) heb aangehaald. Van belang is uiteraard ook ad (i), dat wil zeggen de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden. Het hof heeft die feiten en omstandigheden nadrukkelijk betrokken bij zijn bewijsmotivering. Het hof zegt in zijn bewijsoverweging immers: “Bij die stand van zaken” is het meest voor de hand liggende scenario etc. Die stand van zaken heeft (door mij samengevat) in het bijzonder betrekking op:
- het whatsapp-bericht van medeverdachte [betrokkene 5] d.d. 17 december 2018 aan de verdachte, waarin eerstgenoemde meldt dat hij een “blok” nodig heeft;
- de verklaring van [betrokkene 5] dat hij denkt dat het daarbij om drugs ging;
- de screenshot, die de verdachte op 15 mei 2019 heeft gemaakt van een versleuteld bericht aan hem om te zorgen voor een stevige en snelle auto voor de ‘voorrijder’ en waarin de opdrachtgever laat weten dat de verdachte die maand 15K (het hof begrijpt: vijftienduizend euro) betaald krijgt en de voorrijder 3K (het hof begrijpt: drieduizend euro);
- het aanschaffen van de Citroën DS3 met kenteken [kenteken 3] door de verdachte op 3 juni 2019 voor € 6.500,00;
- het whatsapp-bericht van de verdachte op 17 juni 2019 aan medeverdachte [betrokkene 5] dat er ‘djoenta’ (het hof begrijpt: werk) is;
- de rit die de verdachte in de middag van 17 juni 2019 in de Mercedes heeft gemaakt naar België en in de avond terug naar Nederland;
- de ontmoeting op 18 juni 2019 tussen de verdachte en [betrokkene 5] bij een tankstation nabij Eindhoven, waarna [betrokkene 5] als eerste wegreed in voornoemde Citroen en ieder in een eigen auto naar de woning aan de [a-straat 1] in Tiel ging;
- de ruimte die in de Mercedes van de verdachte verborgen was en waarin een handschoen is aangetroffen met daarop DNA-materiaal waarvan de verdachte donor is geweest.
16. Het hof is dus niet alléén afgegaan op de situatie zoals deze zich op 18 juni 2018 bij de woning voordeed, maar heeft mede in ogenschouw genomen de aan het transport voorafgaande (telefonische en feitelijke) contacten van de verdachte met [betrokkene 5] (‘ [alias] ’) en het versleutelde bericht dat de verdachte van de onbekende opdrachtgever kreeg. Deze vaststellingen heeft het hof bezien in samenhang met de omstandigheid dat de door de verdachte ten behoeve van de ‘voorrijder’ aangeschafte auto (de Citroën DS3) door [betrokkene 5] op de dag van het transport daadwerkelijk is gebruikt om voor de verdachte uit van het tankstation naar de woning in Tiel te rijden. Daarbij heeft het hof betrokken dat, naar uit de bewijsmiddelen volgt, de verdachte die “stevige en snelle auto” voor de voorrijder had gekocht in opdracht van de onbekende opdrachtgever, van wie de verdachte € 15.000 betaald zou krijgen en de ‘voorrijder’ € 3.000. Bijzonder is natuurlijk ook dat de Mercedes was voorzien van een verborgen ruimte en dat daarin bovendien een handschoen is aangetroffen waarop zich DNA-materiaal bevond van de verdachte. Daarbij komt dat de verdachte een half jaar voor het transport whatsappcontact had gehad met [betrokkene 5] , waarin [betrokkene 5] zegt een “blok”, en dus geen poeder, nodig te hebben; drugs, denkt [betrokkene 5] (en hij niet alleen). Daags voor het transport bespreken zij op whatsapp een “djoenta” (werk), zegt [betrokkene 5] dat als er bewogen moet worden, hij er zal zijn, en laat de verdachte weten dat hij “ff paar tassen [gaat] halen” (bewijsmiddel 12).
17. Het kennelijke oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het bij het transport op 17 juni 2019 eveneens om drugs ging en dat de door de verdachte vervoerde dozen de later bij [betrokkene 1] in de fietstassen aangetroffen cocaïne bevatte, acht ik, gelet op al het voorgaande, toereikend gemotiveerd, ook in het licht van het door de raadsman gevoerde verweer zoals hierboven in randnummer 8 weergegeven. Daaraan doet niet af de deelklacht dat het hof bij de bewijsconstructie ten onrechte het whatsapp-bericht op 17 december 2018 van [betrokkene 5] aan de verdachte en het gesprek omtrent de ‘voorrijder’ een maand voor 18 juni 2019 heeft betrokken, daar dit bericht en dit gesprek niet (zonder meer) redengevend zouden zijn voor het bewijs en niet zouden kunnen bijdragen aan de vaststelling dat de op 18 juni 2019 aangetroffen cocaïne door de verdachte in de Mercedes is vervoerd. Deze deelklacht miskent immers dat de rechter vrij is in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal en dat de rechter niet gehouden is zijn beslissing dienaangaande te motiveren, behoudens bijzondere gevallen. Van een dergelijke bijzonder geval is in de onderhavige zaak geen sprake. Ik wijs er in dat verband op dat ter ’s hofs terechtzitting door of namens de verdachte op die onderdelen geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren is gebracht. Dat brengt mee dat de beslissing van het hof inzake de bedoelde selectie en waardering in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden.
18. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
VII.
Slotsom
19. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.G.J.M. Corstens,
2.HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061,
3.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
4.Zie ook M.J. Dubelaar, in
5.Vgl. HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2956.