Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
Feiten en procesverloop bij het Hof
Parket bij de Hoge Raad
De Provincie Zuid-Holland stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof Den Haag inzake de schadeloosstelling voor onteigende gronden ten behoeve van de aanleg van een rotonde en de provinciale weg N217. Na eerdere verwijzing door de Hoge Raad onderzocht het Hof of het bestemmingsplan N217 geëlimineerd moest worden bij waardering van de gronden, wat onbetwist werd gelaten.
Het Hof bepaalde de waarde van het onteigende op €27,50 per m2, gebaseerd op transacties tussen 2005 en 2008 door projectontwikkelaars, ondanks het uitbreken van de financiële crisis in 2008 en de aanwezigheid van bodemverontreiniging. De Provincie klaagde over het niet oproepen van deskundigen, het negeren van de crisis en onvoldoende aandacht voor bodemverontreiniging.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof niet verplicht was deskundigen opnieuw op te roepen, dat het Hof de crisis impliciet had meegewogen en dat de waardering op basis van markttransacties begrijpelijk was. Ook het oordeel over bodemverontreiniging werd niet onbegrijpelijk geacht. Het cassatiemiddel werd verworpen en het arrest van het Hof bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Provincie Zuid-Holland wordt verworpen en het arrest van het Hof Den Haag bevestigd.