AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad vernietigt arrest over werkgeversaansprakelijkheid en schadevergoeding bij arbeidsongevallen met predispositie werknemer
De zaak betreft een werknemer die sinds 1992 in dienst was als magazijnmedewerker en in 1995 en 1996 twee arbeidsongevallen heeft gehad waarbij zware voorwerpen op zijn hoofd en bovenlichaam vielen. Na het tweede ongeval heeft hij geen loonvormende arbeid meer verricht. De werkgever erkende aansprakelijkheid. De werknemer vorderde onder meer smartengeld en vergoeding van gemist verdienvermogen.
De rechtbank en het hof oordeelden dat er een causaal verband bestond tussen de ongevallen en de klachten van de werknemer, maar dat diens persoonlijke predispositie een rol speelde bij de omvang van de schade. Het hof beperkte de looptijd van de schadevergoeding tot de leeftijd van 55 jaar, omdat het aannemelijk achtte dat de werknemer, ongeacht de ongevallen, op enig moment door een life-event arbeidsongeschikt zou zijn geworden.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof vanwege onvoldoende feitelijke onderbouwing en motivering van deze beperking. De Hoge Raad benadrukt dat de rechter bij het schatten van toekomstige schade een redelijke verwachting moet hanteren en dat het hof onvoldoende concrete aanwijzingen gaf om de schadevergoeding zo vergaand te beperken. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor nadere beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de schadevergoeding.
Voetnoten
1.Ontleend aan rov. 8.1.1 - 8.1.5 van het tussenarrest van het Hof ‘s-Hertogenbosch van 18 augustus 2009. Zie ook rov. 4.1 van het tussenarrest van 23 september 2008 en rov. 30.2 van het tussenarrest van 10 juni 2014
2.Dit is een wat merkwaardige feitenvaststelling. Op basis van het dossier kon het Hof intussen moeilijk anders.
3.Zie voor deze precisering rov. 30.2.
4.In de tweede volzin van dezelfde rov. formuleert het Hof nog voorzichtiger.
5.Zie ook de geformuleerde vragen aan de deskundigen en het standpunt van [verweerster] dienaangaande als weergegeven in rov. 8.6.2 van het tussenarrest van 18 augustus 2009.
6.Zie rov. 16.1 van het tussenarrest van 22 februari 2011
7.Rov. 23.1 van het tussenarrest van 18 september 2012.
8.Vgl. rov. 23.2 van het tussenarrest van 18 september 2012.
9.Rov. 23.5 van het tussenarrest van 18 september 2012.
10.Rov. 30.5.3 van het tussenarrest van 10 juni 2014.
11.Rov. 30.6.2 van het tussenarrest van 10 juni 2014.
12.Rov. 30.7.2 van het tussenarrest van 10 juni 2014.
13.In rov. 30.8.1 staat het Hof stil bij de taak van zo’n deskundige.
14.Rov. 30.8.5 van het tussenarrest van 10 juni 2014.
15.Zie rov. 33.1 van het tussenarrest van 30 september 2014.
16.Zie rov. 33.2 van het tussenarrest van 30 september 2014.
17.’s Hofs oordeel is juist; HR 13 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9243, NJ 2003/212 rov. 3.6.1, met uitwerking aan het slot voor het verlies van toekomstige arbeidsinkomsten. Zie nader A.J. Akkermans, TVP 2003 p. 101 en 102. Ook tegen dit oordeel sputtert de akte van [eiser] na het in cassatie bestreden arrest (sub 15); in cassatie is het evenwel geen punt van discussie en daarmee staat het voor nu en verder in deze procedure vast. 18.HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4961, NJ 1986/137 CJHB en HR 8 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG4960, NJ 1986/136 CJHB; zie uitvoerig, ook voor verdere bronnen, losbladige Schadevergoeding art. 107 (Bolt) aant. 19. 19.Zie, ook voor verdere bronnen, losbladige schadevergoeding art. 97 (Lindenbergh) aant. 16-20; idem art. 105 (Bolt). Zie o.m. ook HR 1 juli 1977, ECLI:NL:HR:1977:AB7005, NJ 1978/73 GJS en HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277, NJ 2000/437 CJHB rov. 3.4. Zie heel uitvoerig, ook met veel bronnen, A. Kolder, TVP 2015 p. 25 e.v. 20.Als ik het goed zie, is dat voor Kolder in een situatie als de onderhavige beslissend; t.a.p. p. 32 en 33.
21.O.m. HR 25 oktober 2002, NJ 2003/171 MS rov. 7.3; zie ook C.J.M. Klaassen, mon. BW 35 nr. 13.
23.HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277, NJ 2000/437 CJHB rov. 3.4 en 3.5; zie, ook voor verdere bronnen, mijn aan het arrest voorafgaande conclusie onder 3.7 e.v. 25.TVP 2003 p. 101.
26.Zie over hetgeen is gebeurd hiervoor onder 1.3 en 1.4.
27.Dat lijkt niet de opvatting van de Hoge Raad; zie hiervoor onder 3.8.2 i.f. De opvatting van Akkermans sluit aan bij het nauw verwante leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid; zie daarover nader Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding (Hartlief, 2015) nr 201a.
28.TVP 2003 p. 103.
29.Ik haast me hieraan toe te voegen dat de praktijk leert dat rechters terughoudend zijn om een benadering als in het bestreden arrest geveld te volgen; zie T. Hartlief, AV&S 2005/5 p. 164 en 165 en voetnoten 35, 37 en 38. Hartlief stelt zich dezelfde vragen als in de tekst behandeld (p. 163 e.v.). Hij bepleit terughoudendheid “met het daadwerkelijk verlagen van de schadevergoeding wegens psychische gesteldheid eerst en vooral wanneer medisch deskundigen zich niet aan een concrete voorspelling wagen” (p. 165).
30.Kolder heeft deze opvatting, avant la lettre, vehement bestreden. Hij wil onderscheid maken tussen binnen en buiten de persoon gelegen factoren. In het eerste geval zijn z.i. concrete aanwijzingen nodig voor “een korting”. Hij zet dat zwaar aan. Zou met dergelijke factoren rekening worden gehouden dan zou “op de man” worden gespeeld, zou nogmaals sprake zijn van inbreuk op zijn integriteit en wordt de benadeelde (weer) ingewreven dat hij “een kneus” is (t.a.p. p. 29). Ik laat die kwalificaties voor rekening van Kolder. Het Hof heeft terecht
31.Strikt genomen gaat het niet om een
32.Ik heb geprobeerd hierover relevante gegevens te vinden in openbare bronnen, maar tevergeefs.
33.Daarop wijst ook de s.t. van mrs. Van Staden ten Brink en Van der Keur onder 5.3 en 5.4.
34.Zie rov. 30.5.3 voorlaatste en laatste alinea.
35.Zie p. 17; ook de s.t. van [verweerster] wijst hierop onder 5.4.
36.Zie bijvoorbeeld T. Hartlief, AV&S 2005/5 p. 165.