De zaak betreft een omvangrijke strafzaak tegen verdachte, beschuldigd van het opzettelijk binnen Nederland brengen, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van circa 7.000 kilogram hasjiesj in de periode 2003-2004. Het hof had het OM niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens verjaring van het vervolgingsrecht voor een deel van de tenlastelegging en verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof over de ontvankelijkheid van het OM. Volgens de Hoge Raad geldt dat wetswijzigingen die de strafbedreiging verhogen en daarmee de verjaringstermijn verlengen, direct van toepassing zijn, tenzij de verjaring reeds voltooid is. In deze zaak was de verjaring nog niet voltooid, zodat het OM ontvankelijk is gebleven in de vervolging.
De Hoge Raad bevestigt echter de vrijspraak van verdachte. Het hof had de verklaringen van twee getuigen met grote terughoudendheid beoordeeld vanwege hun eerdere kennis van het strafdossier, het tijdsverloop en mogelijke beïnvloeding. Het hof verlangde voldoende objectief steunbewijs voor de specifieke rol van verdachte, welk bewijs ontbrak. De Hoge Raad oordeelt dat de waardering van het bewijsmateriaal en de betrouwbaarheidstoetsing aan het hof toekomt en dat het oordeel begrijpelijk is.
De Hoge Raad wijst verder op het ontbreken van een algemeen toetsingskader voor de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en benadrukt de ruime beoordelingsvrijheid van de feitenrechter. De oproep om criteria te formuleren voor betrouwbaarheidstoetsing wordt afgewezen. De zaak illustreert de complexiteit van verjaring en bewijswaardering in grote strafzaken met internationale aspecten.