ECLI:NL:PHR:2015:154
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek levensonderhoud studerende zoon met spaargeld en studieschuld
Belanghebbende bracht bij zijn aangifte inkomstenbelasting 2009 een bedrag van € 4.200 in aftrek als uitgaven voor het levensonderhoud van zijn studerende zoon. De Inspecteur weigerde deze aftrek omdat de zoon beschikte over een aanzienlijk spaargeld van circa € 20.000, opgebouwd uit leningen van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Het Hof oordeelde dat het spaargeld ondanks de omvang als bescheiden kon worden gekwalificeerd mede vanwege de studieschuld die het spaargeld ruim overtrof, en dat belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen kon voelen tot ondersteuning. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in.
De Hoge Raad toetste of belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen kon voelen tot het doen van de uitgaven, waarbij ook het vermogen van de zoon in aanmerking moet worden genomen. Hoewel het Hof het spaargeld als bescheiden kwalificeerde en bijzondere omstandigheden aannam, stelde de Hoge Raad dat de studieschuld niet in mindering mag worden gebracht op het spaargeld omdat de aflossingsverplichting pas twee jaar na afstuderen ingaat en afhankelijk is van draagkracht. De Hoge Raad bevestigde dat de schuld niet als daadwerkelijk terug te betalen vermogen kan worden beschouwd zolang geen daadwerkelijke betalingsplicht bestaat.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond en vernietigde het arrest van het Hof. Daarmee is de aftrek van de persoonsgebonden aftrek wegens levensonderhoud van de zoon niet gerechtvaardigd zolang het spaargeld als vermogen beschikbaar is en de studieschuld niet als schuld in mindering kan worden gebracht. De beslissing sluit aan bij de jurisprudentie over de rol van studieleningen en het begrip 'redelijkerwijs gedrongen voelen' in de fiscale context.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de aftrek van de persoonsgebonden aftrek wegens levensonderhoud van de zoon wordt geweigerd.