ECLI:NL:HR:2011:BQ7320
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van studielening bij vaststelling ouderbijdrage voor levensonderhoud kind
Belanghebbende, ouder van een uitwonende student geboren in 1980, maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2004 waarin de aftrek wegens uitgaven voor levensonderhoud van zijn zoon werd betwist. De zoon had geen recht meer op een basisbeurs maar ontving een studielening van €250 per maand en een netto-inkomen uit dienstbetrekking van €595 per maand. Belanghebbende stelde dat hij recht had op aftrek van de kosten van levensonderhoud van zijn zoon, gespecificeerd op €967 per maand.
De Rechtbank en het Hof verklaarden het bezwaar ongegrond en oordeelden dat de bijdrage waartoe belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen kon voelen niet het normbedrag van €386 per kwartaal bereikte. Het Hof nam daarbij de studielening mee als eigen middelen van de zoon. Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte de lening als eigen middelen had meegewogen.
De Hoge Raad bevestigde dat bij de beoordeling van de redelijke ouderbijdrage ook de ter leen ontvangen bedragen van het studerende kind moeten worden betrokken. Dit volgt uit artikel 6.1, lid 3, Wet IB 2001 en eerdere jurisprudentie. Het oordeel van het Hof over de feitelijke omstandigheden is bindend in cassatie. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees geen proceskosten toe.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de studielening van het kind als eigen middelen moet worden meegewogen bij de ouderbijdrage.