Conclusie
1.Feitenen procesverloop
overgangsmaatregelenbeogen een aanvulling (backservice) te geven op het vroegpensioen voor die groep van deelnemers die door hun leeftijd op het moment van invoering van de regeling niet in staat zullen zijn een volledig vroegpensioen op te bouwen (aanvulling ter hoogte van de backservice met terugwerkende kracht tot 21 jaar). De backservice wordt toegekend op de vroegpensioendatum.
overgangsmaatregelengelden voor alle werknemers in het Beroepsgoederenvervoer die op 31 maart 2001
en1 april 2001 in dienst zijn van een bij de Vut-regeling aangesloten werkgever
enper 1 januari 2002 gaan deelnemen aan de vroegpensioenregeling
envanaf 1 januari 2002 tot de vroegpensioendatum onafgebroken blijven deelnemen aan de vroegpensioenregeling
enop de vroegpensioendatum voldoen aan het 10-dienstjaren criterium. De overgangsmaatregelen gelden niet voor de groep werknemers die in het kader van het overgangsbeleid VUT in beginsel nog gebruik zullen kunnen maken van de VUT-regeling en om die reden geen deelnemer aan de vroegpensioenregeling zijn. (…)
“is gelegen in de gestelde binding van [eiseres] als lid van TLN aan het Protocol”. Vervolgens hebben partijen hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna zij hebben gere- en gedupliceerd.
2.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
“Kern van de zaak”), twee onderdelen (1-2), waarvan onderdeel 1 met een inleiding opent (onder 11-16,
“Inleiding op de klachten”) en meer klachten omvat (onder 17-21).
moetenaanvullen en zal slechts over de invulling kunnen worden getwist [11] . Aanvulling leidt meestal tot de erkenning van een verbintenis van een der partijen tot het verrichten of nalaten van een handeling, waaromtrent niets was overeengekomen [12] . Redelijkheid en billijkheid kunnen ook de verschuldigdheid van een geldelijke vergoeding meebrengen [13] .
“of het Protocol het prepensioenfonds een contractuele grondslag bood om alle bij TLN (en de andere werkgeversverenigingen die partij waren bij het Protocol) aangesloten werkgevers te verplichten tot betaling van premies vanaf 1 januari 2002 aan het prepensioenfonds.”Bij de beantwoording van die vraag heeft het hof, in navolging van de in zoverre niet bestreden oordelen van de kantonrechter, in rov. 8 als uitgangspunt gekozen dat TLN op de voet van art. 2:46 BW Pro bevoegd was ten laste van haar leden verplichtingen aan te gaan en dat [eiseres] in beginsel ook langs die weg kan zijn gebonden.
bedrijfstakheffing. Met een bedrijfstakheffing kan volgens het hof niet anders zijn bedoeld dan
“een heffing over alle werkgevers die hun bedrijf uitoefenen in de desbetreffende branche”. Voor een dergelijke, door partijen bij het Protocol beoogde bedrijfstakbrede financiering van het vroegpensioen, waren de genoemde partijen - nog steeds volgens het hof - van medewerking van de minister (lees: van verplichtstelling door de minister van de regeling) afhankelijk (rov. 11). Daaraan heeft het hof (in rov. 12) nog toegevoegd het, gelet op de hoge kosten voor de werkgevers van de invoering van het vroegpensioen,
“zeer onwaarschijnlijk”te achten
“(d)at de partijen bij het Protocol daadwerkelijk hebben beoogd om voorafgaand aan de verplichtstelling een regeling te treffen voor uitsluitend de partijen bij het Protocol - waarbij de loonkosten voor die partijen zeer sterk zouden stijgen ten opzichte van de niet gebonden werknemers zonder dat die sterke loonkostenstijging daadwerkelijk aan het eigen personeel ten goede zou komen - (…)”.
aangesloten werkgevers, waarbij aangesloten werkgevers primair zijn gedefinieerd als werkgevers die onder de verplichtstelling vallen. Weliswaar kan ook sprake zijn van een aangesloten werkgever als die naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek door het bestuur van het fonds als zodanig is aanvaard, maar een zodanig verzoek kan volgens het hof niet worden geacht in het Protocol te zijn vervat (rov. 15). In rov. 16 heeft het hof hieraan de conclusie verbonden dat [eiseres] eerst formeel een aangesloten werkgever in de zin van de statuten van het prepensioenfonds is geworden na de verplichtstelling door de minister en dat klaarblijkelijk ook de statuten zijn opgesteld in de veronderstelling dat de invoering van het prepensioen en de verplichtstelling zouden samenvallen.
“dat in deze situatie het risico dat de inwerkingtreding van de prepensioenregeling en de ministeriële verplichtstelling niet in tijd samenvallen, bij de protocolsluitende partijen dient te berusten en niet bij het (pre)pensioenfonds, dat als derde zelf niets van doen heeft met de ontstane onduidelijkheid.”Aan het slot van rov. 17 heeft het hof overwogen
“(d)erhalve (…) de uitleg van het pensioenfonds (te volgen) dat de werkgevers die aangesloten waren bij de protocolsluitende partijen vanaf 1 januari 2002 premieplichtig waren voor het vroegpensioen”. In rov. 18 heeft het hof daaraan nog toegevoegd dat ook de statuten van het prepensioenfonds in deze zin moeten worden
“uitgelegd”. Daarbij heeft het hof gewezen op art. 3.2 onder c van de statuten, dat bepaalt dat de stichting haar doel mag bereikten met
“andere wettige middelen, die tot het bereiken van het doel bevorderlijk kunnen zijn”; onder deze middelen valt volgens het hof ook het innen van premies van door het Protocol gebonden werkgevers in de periode voor de ministeriële verplichtstelling.
onder 17dat het oordeel van het hof in de rov. 17 en 18 onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Het onderdeel memoreert dat het hof in de rov. 9-16 het Protocol en de statuten aldus heeft uitgelegd dat [eiseres] pas premieplichtig werd ná de verplichtstelling door de minister op 20 februari 2013. Aldus heeft het hof volgens het onderdeel geoordeeld dat [eiseres] een aangesloten werkgeefster werd en dus premieplichtig werd vanaf het moment dat de minister de deelneming in de vroegpensioenregeling verplicht stelde. Het onderdeel betoogt dat pas vanaf de verplichtstelling het Pensioenfonds bevoegd was premies te innen. Zolang er geen verplichtstelling door de minister had plaatsgevonden, was [eiseres] volgens het onderdeel dus niet verplicht premie af te dragen.
allewerkgevers in de desbetreffende branche drukkende heffing, die zich
de factoslechts door verplichtstelling van deelneming in de vroegpensioenregeling door de minister laat realiseren. In verband met die laatste indicatie heeft het hof kennelijk mede de statuten van het Pensioenfonds (
“(…) die in zekere zin een uitvoeringsregeling van het Protocol vormen”; rov. 17) van belang geacht, en wel in die zin, dat (naar luid van rov. 16)
“(o)ok de statuten (…) klaarblijkelijk zijn opgesteld in de veronderstelling dat de invoering van het prepensioen en de verplichtstelling zouden samenvallen.”Gelet op die tegenstrijdige indicaties heeft het hof kennelijk niet voor één van beide mogelijke interpretaties willen kiezen, óók niet voor de uitleg volgens welke partijen bij het Protocol, voor het geval dat de veronderstelde samenval van de inwerkingtreding van de prepensioenregeling en de verplichtstelling van de deelneming daarin zich
nietzou voordoen, (moeten worden geacht te) zijn overeengekomen dat ook de aan het Protocol gebonden werkgevers niet eerder dan na die verplichtstelling premieplichtig zouden zijn.
“pas vanaf de verplichtstelling (…) bevoegd (was) premies te innen”. Weliswaar heeft het hof geoordeeld dat de statuten (en het in rov. 14 genoemde prepensioenreglement) geen bepalingen bevatten, specifiek voor zonder verplichtstelling door de minister aan het Protocol gebonden werkgevers. Voor het geval dat het Protocol het Pensioenfonds een contractuele grondslag bood voor inning van premies van door het Protocol gebonden werkgevers, heeft het naar het oordeel van het hof echter ook aan een
statutairegrondslag voor die inning niet ontbroken, omdat het Pensioenfonds - nog steeds volgens het hof - in dat geval op art. 3.2 onder c van de statuten kon terugvallen (rov. 18).
“Het Prepensioenfonds stelt dat Van der Sluijs gehouden is tot premiebetaling op grond van het Protocol Onderhandelingsakkoord van 29 september 2000 (…).”). Dat het Pensioenfonds daarbij de door partijen bij het Protocol
overeengekomenrechtsgevolgen op het oog had, terwijl het hof uiteindelijk een beslissende rol heeft toegekend aan de rechtsgevolgen van het Protocol die uit de eisen van
redelijkheid en billijkheidvoortvloeien, impliceert niet dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Wat de redelijkheid en billijkheid in een gegeven geval meebrengen, is immers een rechtsvraag. Als partijen zich niet uitdrukkelijk op de werking van redelijkheid en billijkheid hebben beroepen, zal de rechter, die gehouden is de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen, niettemin in aanmerking moeten nemen wat de redelijkheid en billijkheid in het gegeven geval met zich brengen, dit laatste uiteraard voor zover de in de procedure gestelde en zonodig bewezen feiten daartoe aanleiding geven [14] . De klacht kan daarom niet tot cassatie leiden.
allewerkgevers in de branche (en niet een heffing die slechts drukt op de leden de werkgeversorganisaties die zich bij het Protocol hadden verbonden) kan zijn bedoeld. Die tegenstrijdige indicaties sluiten in de gedachtegang van het hof over en weer uit, dat als
overeengekomenrechtsgevolg van het Protocol kan gelden, hetzij dat voor de gebonden werkgevers reeds een premieplicht zou ontstaan op de overeengekomen ingangsdatum van de vroegpensioenregeling, hetzij dat (ook) voor de gebonden werkgevers een premieplicht eerst zou ontstaan na verplichtstelling door de minister van deelneming van de betrokken werknemers in de vroegpensioenregeling. Die gedachtegang is op zichzelf niet onbegrijpelijk. Daaraan doet mijns inziens niet af dat het hof, kennelijk uitgaande van een (veronderstelde) intentie van een bedrijfstakbrede financiering van de prepensioenregeling, een daadwerkelijk oogmerk om de kosten van de vroegpensioenregeling zonodig (in afwachting van verplichtstelling door de minister) voor de gebonden werkgevers te laten, zeer onwaarschijnlijk heeft geacht. Dat laatste geeft weliswaar extra reliëf aan de door het hof veronderstelde keuze voor een bedrijfstakbrede financiering, maar is in de kennelijke gedachtegang van het hof niet voldoende om bij de uitleg van hetgeen in het Protocol is overeengekomen, de balans ten gunste van de door [eiseres] verdedigde uitleg (geen premieplicht van de gebonden werkgevers zonder verplichtstelling door de minister) te doen doorslaan.
jegens elkaarverplicht zijn zich overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid te gedragen.
“en is niet bedoeld voor uitsluitend de eigen werknemers (…), maar voor alle werknemers in de bedrijfstak die gekwalificeerd kunnen worden als deelnemers aan de prepensioenregeling (…).”In verband met dit laatste is de samenvatting aan het slot van rov. 12 dat, indien de prepensioenregeling slechts voor (de werknemers van) de leden van de protocolsluitende werkgeversorganisaties in werking zou treden, sprake zou van een sterke loonkostenstijging
“zonder dat die sterke loonkostenstijging daadwerkelijk aan het eigen personeel ten goede zou komen”, minder correct. In de bedoelde situatie komt de bedoelde loonkostenstijging wel degelijk ten goede aan het eigen personeel, omdat tegenover die loonkostenstijging staat dat het eigen personeel van de backservice zal kunnen profiteren (de backservice geldt bij wijze van overgangsmaatregel slechts voor de werknemers die per 1 januari 2002 aan de prepensioenregeling gaan deelnemen; zie rov. 1.4). Daaraan doet niet af dat - door de meer globale wijze van berekening van de (niet aan de samenstelling van het personeelsbestand maar aan de loonsom gerelateerde) premie - de loonkostenstijging per gebonden werkgever, afhankelijk van de samenstelling van het personeelsbestand, wellicht méér maar wellicht ook minder zal bedragen dan het concrete voordeel dat voor diens eigen werknemers uit de backservice zal voortvloeien. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof in het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de premie voor de backservice en de mate waarin het eigen personeel van de backservice zal profiteren, onvoldoende grond heeft gezien om aan te nemen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in de relatie tussen de protocolsluitende partijen zich ertegen zouden verzetten dat de prepensioenregeling slechts door die partijen en haar leden zal worden uitgevoerd.
uitlegvan het Pensioenfonds volgt dat de werkgevers die aangesloten waren bij de protocolsluitende partijen vanaf 1 januari 2002 premieplichtig waren voor het vroegpensioen en dat ook de statuten in deze zin moeten worden
uitgelegd.
“uitleg”respectievelijk
“uitgelegd”gebruikt (
“Derhalve volgt het hof de uitleg van het pensioenfonds dat de werkgevers die aangesloten waren bij de protocolsluitende partijen vanaf 1 januari 2002 premieplichtig waren voor het vroegpensioen.”respectievelijk
“Ook de statuten van het pensioenfonds moeten in deze zin worden uitgelegd.”), maar het is evident dat het hof daarmee niet de vaststelling van de door de protocolsluitende partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar de vaststelling van de uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende rechtsgevolgen heeft bedoeld. Overigens is er taalkundig geen dwingende reden om de term “uitleg van de overeenkomst” slechts voor het eerste (de vaststelling van de overeengekomen rechtsgevolgen) te reserveren en de vaststelling van de uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende rechtsgevolgen van de overeenkomst daarvan uitgesloten te achten.
De wijzigingen van eis
grieven III tot en met V, waarin [eiseres] betoogt dat de kantonrechter ten onrechte het prepensioenfonds de helpende hand heeft toegestoken door de grondslag onverschuldigde betaling in te lezen, kunnen - wat daar verder ook van zij - niet tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep leiden, nu het pensioenfonds deze grondslag in appel expliciet heeft overgenomen.”
“tegenprestatie”de afgifte van een vrijwaringsverklaring heeft verbonden met het oog op mogelijke aanspraken van werknemers van [eiseres] op prepensioen [15] . Aldus zijn volgens [eiseres] over de premierestitutie
“duidelijke afspraken”gemaakt. Grief IV strekt ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte heeft beslist dat het Pensioenfonds zich op het ontbreken van een rechtsgrond kan beroepen; in de toelichting op die grief heeft [eiseres] nader betoogd dat het Pensioenfonds, door een tegenprestatie voor de premierestitutie te verlangen, zelf een rechtsgrond voor die premierestitutie heeft gecreëerd [16] . De gemaakte afspraken zouden zelfs als
“vaststellingsovereenkomst”kwalificeren [17] .
grieven III tot en met V, waarin [eiseres] betoogt dat de kantonrechter ten onrechte het prepensioenfonds de helpende hand heeft toegestoken door de grondslag onverschuldigde betaling in te lezen, kunnen - wat daar verder ook van zij - niet tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep leiden, nu het pensioenfonds deze grondslag in appel expliciet heeft overgenomen.”
a priorimoet worden geoordeeld dat het standpunt van [eiseres] over de verschuldigdheid van de premierestitutie in verband met (de afspraak over) de vrijwaringsverklaring niet kan worden gevolgd. Dat laatste geval doet zich naar mijn mening voor.
waaromde enkele afspraak over de vrijwaringsverklaring een vaststellingsovereenkomst zou belichamen [20] .
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele cassatieberoep
onderdelen 1 en 2(
“Inleiding - omschrijving geschil en rechtsvraag - binding aan Protocol en uitspraak Hof”respectievelijk
“Bespreking klachten - algemeen”) bevatten geen zelfstandige klachten.
eerder omschreven als de Wet Bpf 2000, hof] onder de verplichtstelling vallen; of,
subonderdeel 3.1gereleveerde vaststellingen dat in het Protocol afspraken zijn gemaakt over invoering van (onder meer) een vroegpensioenregeling voor de branche beroepsvervoer, als vervanging van de VUT-regeling, per 1 januari 2002, dat de (nieuwe) vroegpensioenregeling op 1 januari 2002 ingaat en dat de kosten van die regeling worden gefinancierd door middel van een bedrijfstakheffing, te betalen door de werkgevers over de loonsom van alle werknemers van 16-65 jaar werkzaam in de bedrijfstak, laat het Protocol volgens
subonderdeel 3.2geen andere uitleg toe dan dat de vroegpensioenregeling per 1 januari 2002 inging.
“zonder nadere voorwaarden”op 1 januari 2012 zal ingaan. Desalniettemin heeft het hof in rov. 12 overwogen dat de tekst van het Protocol
“niet eenduidig”is, hetgeen volgens
subonderdeel 3.4onbegrijpelijk is.
subonderdeel 3.5berust de door het hof aangenomen onduidelijkheid op de vermelding in het Protocol dat de prepensioenregeling zal worden gefinancierd uit een
“bedrijfstakheffing”. Het subonderdeel betoogt dat niet inzichtelijk is waarom dit eraan zou afdoen dat de vroegpensioenregeling en de daaraan verbonden financiering niet per 1 januari 2002 zouden ingaan.
subonderdeel 3.6kennelijk de opvatting ten grondslag dat een bedrijfstakheffing niet alleen een heffing is over uitsluitend de aangesloten werkgevers, maar over alle werkgevers die hun bedrijf in de branche uitoefenen. Met aangesloten werkgevers heeft het hof kennelijk het oog gehad op de werkgevers die door lidmaatschap van TLN (of een andere protocolsluitende organisatie) aan het Protocol waren gebonden. Daaraan heeft het hof nog toegevoegd dat de protocolsluitende partijen een
“dergelijke bedrijfstakbrede financiering”hebben beoogd.
Subonderdeel 3.7acht deze gedachtegang van het hof onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, nu vaststaat dat partijen zonder nadere voorwaarden zijn overeengekomen dat de vroegpensioenregeling per 1 januari 2002 ingaat. Het hof heeft dit en/of het onaannemelijke rechtsgevolg dat er vanaf 1 januari 2002 wel een pensioenregeling, maar geen verplichting tot premiebetaling zou bestaan, met zijn uitleg miskend. Bovendien is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk waarom de protocolsluitende partijen niet het oog zouden kunnen hebben gehad op het aangaan van verplichtingen voor alleen de leden. In dit opzicht kan volgens
subonderdeel 3.8worden aangesloten bij HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6165, RvdW 2013/408, PJ 2013/102 m.nt. J.M. van Riemsdijk, waarin de Hoge Raad overwoog:
subonderdeel 3.9in het onderhavige geschil van toepassing en noopt tot de conclusie dat in zoverre het arrest van het hof niet in stand kan blijven.
subonderdeel 3.10temeer daar het hof heeft miskend dat werkgeversorganisaties en vakbonden als de onderhavige die het Protocol zijn overeengekomen, volledig bevoegd zijn om overeenkomsten te sluiten over sociale regelingen als de onderhavige pensioenregeling die alleen voor de daaraan contractueel gebonden leden bindend zijn en dat gewoonlijk partijen ook juist contractuele binding voor (alleen) leden voorafgaand aan wettelijk verplichte binding mede voor niet-leden zullen beogen, althans is het andersluidende oordeel van het hof onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd.
“zeer onwaarschijnlijk”is dat partijen bij het Protocol hebben beoogd een regeling in het leven te roepen
“waarbij de loonkosten voor die partijen zeer sterk zouden stijgen ten opzichte van de niet gebonden werknemers zonder dat die sterke loonstijging daadwerkelijk aan het eigen personeel ten goede zou komen”. Het hof heeft daaraan toegevoegd dat het Protocol
“daarvoor geen aanwijzingen”bevat en het Pensioenfonds
“daarvoor ook geen argumenten naar voren heeft gebracht”. Daarbij heeft het hof volgens het subonderdeel miskend dat partijen zonder nadere voorwaarden zijn overeengekomen dat de vroegpensioenregeling per 1 januari 2002 ingaat en voorts dat de overgangsmaatregelen uitsluitend ten goede komen aan werknemers die per 1 januari 2002 aan de vroegpensioenregeling gaan deelnemen, zoals het hof in rov. 1.4 heeft vastgesteld. De niet gebonden werkgevers waren in de periode voor de verplichtstelling weliswaar niet gebonden aan het Protocol, maar de werknemers van deze werkgevers konden ook geen aanspraken aan de (overgangsmaatregelen van de) vroegpensioenregeling ontlenen. Waarom partijen, daarvan uitgaande, niet zouden hebben beoogd de financiering alleen op te leggen aan leden-werkgevers, is volgens het subonderdeel zonder nadere toelichting, onbegrijpelijk.
subonderdeel 3.12eens temeer, omdat de pensioenregeling een collectieve regeling is voor alle in de regeling deelnemende werkgevers en hun werknemers in de branche beroepsgoederenvervoer, zoals het hof in de rov. 1.3-1.4 heeft vastgesteld. De overweging van het hof dat de heffing op basis van het Protocol niet ten goede zou komen aan het eigen personeel is volgens het onderdeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat de bij de vroegpensioenregeling aangesloten werknemers door de betaling van de bedrijfstakheffing vanaf 1 januari 2002 vroegpensioenaanspraken verwerven en in aanmerking komen voor de hiervoor genoemde overgangsregeling. De niet bij de vroegpensioenregeling aangesloten werknemers verkrijgen deze voordelen niet. Anders dan het hof heeft overwogen zou de hogere financiering derhalve juist wel ten goede komen aan de werknemers van de werkgevers die de hogere financiering betalen. Bij dit soort regelingen is bovendien nooit sprake van een financiering door een werkgever waarvan uitsluitend de eigen werknemers profiteren. Collectieve sociale regelingen als de onderhavige vroegpensioenregeling en daarmee samenhangende VUT-regeling en overgangsmaatregelen worden door een collectieve heffing door de aan de regeling gebonden werkgevers betaald ten gunste van de collectiviteit van de aangesloten werknemers. Dat is ook en volgens het subonderdeel misschien wel sterker het geval wanneer een verplichtstelling van toepassing is, want ook dan komt de premiebetaling door [eiseres] niet, althans niet zonder meer, ten goede aan de eigen werknemers.
subonderdeel 3.13, dat naar vindplaatsen in de processtukken verwijst, heeft het Pensioenfonds dit alles ook duidelijk uiteengezet. Het oordeel dat het Pensioenfonds geen argumenten naar voren heeft gebracht voor het standpunt dat leden vanaf 1 januari 2002 aan de financiering van de vroegpensioenregeling waren gebonden, is in dit licht volgens het subonderdeel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd.
subonderdeel 3.14draagt de overweging dat, wanneer partijen de verplichtstelling eerder hadden gevraagd, deze wellicht eerder zou zijn verleend, niet bij aan het oordeel over de premiebetalingsplicht over de periode vanaf 1 januari 2002 tot aan de verplichtstelling, terwijl overigens niet van belang is wat de protocolsluitende partijen voorafgaand aan de sluiting van het Protocol hebben bedoeld maar wat zij met het Protocol bedoelden. De bedoeling is volgens het subonderdeel eenduidig: vanaf 1 januari 2002 geldt een vroegpensioenregeling (vergelijk rov. 1.4).
subonderdeel 3.15onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd dat en waarom hetgeen het hof hierover heeft opgemerkt, bijdraagt aan het oordeel dat het Protocol voor [eiseres] geen premiebetalingsplicht vanaf 1 januari 2002 zou bevatten. Het hof merkt in rov. 16 dan wel op dat het de mening is toegedaan dat [eiseres] eerst na de verplichtstelling formeel aangesloten werkgever in de zin van de statuten van het Pensioenfonds is geworden, maar dat en waarom dit [eiseres] van de contractuele verplichtingen uit het Protocol zou kunnen ontslaan of het Pensioenfonds de premievorderingsrechten uit het Protocol zou kunnen ontnemen, is door het hof niet gemotiveerd.
subonderdeel 3.16dat het hof zijn redenering kennelijk baseert op de statutaire bepaling dat een aangesloten werkgever een op basis van een verplichtstelling aangesloten werkgever of een na verzoek toegelaten werkgever is en dat een aangesloten werkgever op grond van de statuten premie aan het Pensioenfonds moet betalen. Het hof heeft hieraan de conclusie verbonden dat het Pensioenfonds
“alleen”premies moet innen onder de aangesloten werknemers. Dat is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk gemotiveerd; althans heeft het hof hiermee de betekenis van de statuten miskend. Het Pensioenfonds heeft volgens het subonderdeel bij pleidooi immers gesteld a) dat de statutaire bepalingen slechts interne werking hebben en dus niet door [eiseres] kunnen worden ingeroepen, b) dat de statuten de premie-inning toelaten en c) dat het oordeel dat geen premie kan worden geïnd bij een niet aangesloten werkgever onverenigbaar is met art. 2:292 lid 3 BW Pro. Deze argumenten in samenhang met de argumentatie van het Pensioenfonds dat het Protocol een zelfstandige verplichting voor [eiseres] en een eigen vorderingsrecht aan het Pensioenfonds geeft, maakt dat het Pensioenfonds bevoegd was tot het innen van premies bij [eiseres]. In ieder geval had het hof deze essentiële stellingen van het Pensioenfonds niet onbesproken kunnen laten en nu het hof dat wel heeft gedaan kan de uitspraak volgens het onderdeel niet in stand blijven.
subonderdeel 3.17geldt dat temeer nu het Pensioenfonds bij pleidooi heeft gesteld dat premie-inning bij [eiseres] in overeenstemming is met het doel van het fonds en het hof in rov. 18 heeft vastgesteld dat het fonds op grond van art. 3.2 van de statuten tot premie-inning bij een niet-aangesloten werkgever bevoegd is. Het onderdeel concludeert vervolgens dat het oordeel van het hof in rov. 15 in samenhang met de rov. 14 en 16, waarin het hof heeft overwogen dat het fonds die bevoegdheid niet heeft, onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd.
“bedrijfstakheffing”in het Protocol (welke term volgens de Hoge Raad
nietdwingt tot de conclusie dat daarmee slechts een heffing ingevolge een verplicht gestelde prepensioenregeling kan zijn bedoeld), oordeelde de Hoge Raad dat het Protocol
“geen andere uitleg toe(laat) dan dat de prepensioenregeling inging per 1 januari 2002”en dat, als het hof zou hebben bedoeld dat in de periode tussen 1 januari 2002 en 20 februari 2003 wel een prepensioenregeling zou bestaan, zulks nadere toelichting zou behoeven vanwege de onaannemelijkheid van het door het hof in dat geval aangenomen rechtsgevolg.
“bedrijfstakfinanciering”een essentiële rol in de gedachtegang van het hof, alhoewel het hof tot een wezenlijk andere uitkomst is gekomen dan het hof Amsterdam. Ook in de onderhavige zaak heeft het hof (in rov. 11) de term
“bedrijfstakheffing”opgevat als noodzakelijkerwijs betrekking hebbend op een heffing, niet slechts over de bij de protocolsluitende partijen aangesloten werkgevers, maar (na verplichtstelling van deelneming in de prepensioenregeling door de minister) over
allewerkgevers in de desbetreffende branche. Anders dan het hof Amsterdam heeft het hof het aldus opgevatte begrip
“bedrijfstakheffing”echter niet doorslaggevend geacht voor een uitleg van het Protocol volgens welke de premieplicht eerst met de verplichtstelling door de minister is ingegaan, maar heeft het daarin wel een hinderpaal gezien voor een uitleg volgens welke de in het Protocol voorziene, onvoorwaardelijke ingangsdatum van 1 januari 2002 ook heeft te gelden in het geval dat de minister deelneming in de prepensioenregeling op die datum nog niet verplicht heeft gesteld. In het arrest van 15 maart 2013 heeft de Hoge Raad een objectieve uitleg van het Protocol volgens welke met de term
“bedrijfstakheffing”een (na verplichtstelling door de minister) over
allewerkgevers in de desbetreffende branche te realiseren heffing moet zijn bedoeld, ondubbelzinnig van de hand gewezen. Daarmee vervalt ook het vermeende, in de term
“bedrijfstakheffing”gelegen obstakel voor een objectieve uitleg van het Protocol, volgens welke voor de inwerkingtreding van de prepensioenregeling beslissend is dat het Protocol zelf onvoorwaardelijk in het ingaan van die regeling op 1 januari 2002 voorziet. Bij die stand van zaken is er géén grond bij de geboden objectieve uitleg van het Protocol de daarin vervatte, onvoorwaardelijke ingangsdatum niet doorslaggevend te achten en de leden van de protocolsluitende werkgeversorganisaties niet
“simpelweg op grond van wat partijen overeenkwamen in het protocol”premieplichtig te achten [28] .
subonderdelen 3.1-3.10dat het hof aan de term
“bedrijfstakheffing”een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven en dat in verband daarmee ook het oordeel dat de tekst van het Protocol
“niet eenduidig”is, niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
subonderdelen 3.11-3.13klagen over het oordeel in rov. 12 dat het zeer onwaarschijnlijk is dat partijen bij het Protocol zouden hebben beoogd een regeling in het leven te roepen waarbij de loonkosten voor die partijen zeer sterk zouden stijgen ten opzichte van de niet gebonden werknemers zonder dat die sterke loonstijging daadwerkelijk aan het eigen personeel ten goede zou komen, teken ik aan dat ik dit oordeel inderdaad onvoldoende begrijpelijk acht. Nog daargelaten dat de werkelijke (laat staan de vermoede) maar niet kenbare bedoelingen van partijen bij een objectieve uitleg niet relevant zijn en nog daargelaten dat de door het hof bedoelde loonkostenstijging zich niet voor
“die partijen”(de partijen bij het Protocol; LK), maar slechts voor de leden van de protocolsluitende werkgeversorganisaties zouden voordoen, valt niet in te zien waarom de loonkostenstijging niet daadwerkelijk aan het eigen personeel ten goede zou komen en waarom dit laatste in het bijzonder in de periode, voorafgaand aan de verplichtstelling, het geval zou zijn. De premiebetalingen van gebonden werkgevers leiden immers wel degelijk tot voordelen die tot de gedurende die periode reeds in de regeling deelnemende werknemers (derhalve de werknemers van de reeds gebonden werkgevers) zijn beperkt; zie ook hiervóór onder 2.20. Weliswaar zijn de bedoelde kosten door de gekozen systematiek van een aan de totale loonsom gerelateerde heffing niet één op één met de voordelen voor de eigen individuele werknemers in verband te brengen, maar dat heeft met het al dan niet ontbreken van een verplichtstelling niet van doen; door de verplichtstelling wijzigt de systematiek van een aan de totale loonsom gerelateerde heffing immers niet.
“rond of hoogstens enige maanden na 1 januari 2002”zou zijn verleend. De marge die het hof aldus aanbrengt is mijns inziens moeilijk te rijmen met de door het hof eveneens aangenomen vanzelfsprekendheid voor de protocolsluitende partijen dat de inwerkingtreding en de verplichtstelling van de prepensioenregeling op 1 januari 2002 zouden samenvallen.
subonderdelen 3.15-3.17betreffen de beschouwingen van het hof over de (uitleg van de) statuten van het Pensioenfonds in de rov. 14-16 en 18. Alhoewel rov. 14 opent met de opmerking dat
“[eiseres] (…) ook de statuten van het prepensioenfonds (…) bij de uitleg van het Protocol heeft betrokken”, heeft het hof aan die statuten in verband met de uitleg van het Protocol kennelijk niet meer betekenis toegekend dan dat
“(o)ok de statuten (…) klaarblijkelijk (zijn) opgesteld in de veronderstelling dat de invoering van het prepensioen en de verplichtstelling zouden samenvallen”(rov. 16 in fine). Het hof heeft voorts niet geoordeeld dat de statuten in de weg staan aan (de effectuering van) een uit het Protocol voortvloeiende premieplicht van gebonden werkgevers zoals [eiseres]; in rov. 18 heeft het hof daarentegen geoordeeld dat de statuten daarvoor (in art. 3.2) ruimte laten. In verband met dit een en ander missen de klachten van de subonderdelen 3.15-3.17 feitelijke grondslag (zoals de klacht van subonderdeel 17, die uitgaat van de veronderstelling dat het hof in rov. 15, in combinatie met de rov. 14 en 16, heeft geoordeeld dat het fonds niet de bevoegdheid heeft tot premie-inning bij niet-aangesloten werkgevers), dan wel mist het Pensioenfonds bij haar desbetreffende klachten een voldoende belang.
subonderdelen 4.1 en 4.2richt tegen de rov. 3, 4 en 6, hiervóór (onder 2.23) reeds geciteerd, strekt ten betoge dat de grondslag van de vordering van het Pensioenfonds is gelegen in de gestelde binding van [eiseres] als lid van TLN aan het Protocol. Weliswaar spreekt het Pensioenfonds in de memorie van antwoord volgens
subonderdeel 4.3over de rechtsgrond onverschuldigde betaling, maar doet zij dit slechts als reactie op de grieven en niet met de kennelijke bedoeling daarmee de overigens in de gehele memorie van grieven en overige processtukken bepleite grondslag - te weten het Protocol - te wijzigen. Dat blijkt volgens
subonderdeel 4.3ook uit het pleidooi, waarbij het Pensioenfonds als grondslag enkel het Protocol en niet de onverschuldigde betaling heeft genoemd. Voor zover het bestreden oordeel aldus moet worden begrepen dat de vordering uitsluitend op de grondslag onverschuldigde betaling moet worden beoordeeld, heeft het hof dit volgens
subonderdeel 4.4miskend en/of is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. Voor zover in lijn met dit punt de beoordeling van de grondslag onverschuldigde betaling relevant zou (blijken te) zijn, heeft het hof volgens
subonderdeel 4.5verzuimd essentiële stellingen van het Pensioenfonds in de oordeelsvorming te betrekken waardoor het arrest onvoldoende is gemotiveerd. Het hof heeft volgens het subonderdeel verzuimd in zijn oordeelsvorming te betrekken dat het Pensioenfonds de essentiële stelling heeft betrokken dat de gestelde overeenkomst - die volgens de stellingen van [eiseres] de grondslag voor de premierestitutie zou zijn - vernietigbaar is wegens dwaling doordat [eiseres] relevante informatie niet heeft meegedeeld.
uitsluitendop de grondslag onverschuldigde betaling moet worden beoordeeld. Op zichzelf is het juist dat de vordering van het Pensioenfonds, zoals geformuleerd in de inleidende dagvaarding, hierop was gebaseerd dat [eiseres], nadat de aanvankelijk door haar betaalde premies over de periode van 1 januari 2002 tot 20 februari 2003 aan haar waren gerestitueerd, op grond van het Protocol was gehouden die premies wederom aan het Pensioenfonds te voldoen. De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 27 oktober 2009 geoordeeld dat door de oorspronkelijke premiebetaling van [eiseres] de daaraan ten grondslag liggende verbintenis is tenietgegaan en dat die verbintenis door de premierestitutie niet is kunnen herleven (rov. 4.7). De rechtsgronden ambtshalve aanvullend, heeft de kantonrechter de vordering van het Pensioenfonds vanwege de naar zijn oordeel onverschuldigde premierestitutie niettemin toegewezen op grond van onverschuldigde betaling. Tegen dat laatste oordeel heeft [eiseres] geappelleerd. Het Pensioenfonds heeft tegen de toewijzing van haar vordering op een andere dan de door haar voorgedragen grond geen incidenteel appel ingesteld en behoefde dat ook niet, omdat de devolutieve werking van het hoger beroep met zich bracht dat het hof, als het naar aanleiding van de grieven van [eiseres] zou oordelen dat de vordering van het Pensioenfonds niet op grond van onverschuldigde betaling toewijsbaar was, de toewijsbaarheid van die vordering, (niet op grond van onverschuldigde betaling, maar) rechtstreeks op grond van een uit het Protocol voortvloeiende verbintenis, opnieuw zou moeten beoordelen. Het bestreden arrest biedt geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat het hof zich de devolutieve werking van het appel niet bewust was en dat het van oordeel zou zijn geweest dat, in de woorden van
subonderdeel 4.4, de vordering van het Pensioenfonds hoe dan ook
“uitsluitend op de grondslag onverschuldigde betaling moet worden beoordeeld”. In die zin mist subonderdeel 4.4 feitelijke grondslag. Overigens doet de aanhangige cassatieprocedure niet aan de bedoelde devolutieve werking af. Ook bij gegrondbevinding van de cassatieklachten van [eiseres] zal de rechter na verwijzing, indien hij de vordering van het Pensioenfonds uiteindelijk niet toewijsbaar zal achten op grond van onverschuldigde betaling, opnieuw moeten beoordelen of de vordering van het Pensioenfonds wél toewijsbaar is op de in eerste aanleg daarvoor aangevoerde (maar door de kantonrechter ontoereikend geachte) grondslag.