Conclusie
- Het uitleveringsverzoek van 4 oktober 2013 dat betrekking heeft op een vonnis van 12 november 2009 - met dossiernummer 2009/147 en vonnisnummer 2009/236 - van de Achtste Meervoudige kamer in zware strafzaken te Izmir waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld wegens het vervaardigen of verstrekken van verdovende middelen, in vereniging gepleegd op 20 december 2004, tot een gevangenisstraf van 12 jaar en 6 maanden en een geldboete van 9000 Turkse Lira te vervangen door 450 dagen hechtenis;
- Het uitleveringsverzoek van 9 oktober 2013 dat betrekking heeft op een vonnis van 15 september 2010 van de Zesde Meervoudige Strafkamer in zware strafzaken te Istanbul - dossiernummer 2008/222 en vonnisnummer 2010/312 - van de Zesde Meervoudige Strafkamer in zware strafzaken te Istanbul waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld wegens laster gepleegd op 8 juni 2008, tot een gevangenisstraf van 10 maanden.
eerste middelklaagt dat de rechtbank in haar uitspraak de feiten niet heeft vermeld waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard.
tweede middelklaagt dat niet is voldaan aan de vereiste dubbele strafbaarheid voor wat betreft het feit waarop het uitleveringsverzoek van 9 oktober 2013 betrekking heeft. Betoogd wordt, kort gezegd, dat niet blijkt dat de door de opgeëiste persoon gebruikte identiteitskaart vals is – zodat de valsheidartikelen in art. 225 Sr Pro e.v. niet in aanmerking komen – en dat als dat toch zo zou zijn, de Nederlandse strafbepalingen in de kern niet hetzelfde rechtsgoed beschermen als de Turkse.
vierde middelbespreken dat klaagt dat de uitlevering toelaatbaar is verklaard ter zake van de bij vonnis van 12 november 2009 - met dossiernummer 2009/147 en vonnisnummer 2009/236 - van de Achtste Meervoudige kamer in zware strafzaken te Izmir opgelegde gevangenisstraf terwijl de betreffende vrijheidsstraf reeds ten uitvoer is gelegd, althans niet kan worden aangemerkt als een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing.