Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
(optisch) imperatieve afwijzingsgrond” van art. 288 lid 2 Fw Pro. De terminologie “
om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen” aan het eind van art. 288 lid Pro 2, sub d Fw duidt volgens het middel eerder op een ‘hardheidstoetsing’ dan op een door het hof aangenomen ‘absoluut verbod’. In dit verband wijst het middel er (onder verwijzing naar art. 3 en Pro 6 EVRM) op dat de ‘schone lei’ van de schuldsaneringsregeling een principiële uitzondering vormt op één van de centrale beginselen van het Nederlandse vermogensrecht, te weten de verplichting van de schuldenaar om zijn verbintenissen na te komen.
arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2009 [2] , waarin ook de vraag aan de orde was of er ruimte is voor nog een uitzonderingsgrond naast de drie uitzonderingsgronden genoemd in art. 288 lid Pro 2, sub d Fw. Verzoekster tot cassatie had betoogd dat zij kort na de eerdere (met verlening van een ‘schone lei’ beëindigde) schuldsanering wederom in financiële problemen was gekomen door omstandigheden die haar niet kunnen worden toegerekend. Deze omstandigheden hingen samen met het vervallen van uitkeringen, de aanwezigheid van beperkingen, emotionele belasting en het ontbreken van nazorg na de eerdere schuldsanering en worden door A-G Huydecoper aangeduid als ‘psychosociale problematiek’ [3] . De Hoge Raad overweegt in rov. 3.3.1 als volgt:
Stb.192. Bij die wijziging heeft de wetgever bewust – ter vervanging van de vóór 1 januari 2008 geldende facultatieve afwijzingsgrond van art. 288 lid Pro 2, onder a, Fw – gekozen voor de imperatieve afwijzingsgrond van art. 288 lid Pro 2, aanhef en onder d, Fw, zulks met drie in deze bepaling genoemde uitzonderingen, die zich in het onderhavige geval niet voordoen. Anders dan de klacht betoogt, moet worden aangenomen dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat de imperatieve afwijzingsgrond ook zou gelden voor gevallen als het onderhavige waarin de schuldenaar die binnen de tienjaarstermijn opnieuw verzoekt om toepassing van de schuldsaneringsregeling, te goeder trouw is geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van de nieuwe schulden. Daarom is er geen ruimte voor aanvaarding van de door het middel bepleite uitzondering, die het imperatieve karakter aan de afwijzingsgrond weer zou ontnemen en daarmee afbreuk zou doen aan een van de hoofddoelstellingen van de nieuwe regeling, te weten beheersing – door het stellen van strenge toelatingscondities – van het toenemende beroep op de schuldsaneringsregeling en de daarmee gepaard gaande toenemende werklast voor rechter en bewindvoerder (vgl. de MvT,
Kamerstukken II, 2004-2005, 29 942, nr. 3, blz. 4 en 5).”
arrest van 1 februari 2013 [4] heeft de
Hoge Raadeen vergelijkbaar cassatieberoep verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro. In die zaak had verzoekster tot cassatie betoogd dat zij na de eerdere (met verlening van een ‘schone lei’ beëindigde) schuldsanering nieuwe schulden had gekregen, die hoofdzakelijk door haar (overigens wél tot de schuldsaneringsregeling toegelaten) echtgenoot veroorzaakt waren en waarvoor zij, doordat zij met hem in gemeenschap van goederen is gehuwd, hoofdelijk aansprakelijk was. Met een beroep op een arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 20 december 2011 (zie hieronder) stelde zij dat onder bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestond van het doorbreken van de tienjaarstermijn van art. 288 lid Pro 2, sub d FW buiten de daar genoemde drie uitzonderingen.
hof ’s-Hertogenboschheeft bij
arrest van 20 december 2011 [5] – in afwijking van de Hoge Raad in zijn bovengenoemd arrest van 12 juni 2009 – overwogen dat een redelijke toepassing van de wet met zich brengt dat schuldenaren die binnen 10 jaar nadat zij een ‘schone lei’ hebben verkregen, opnieuw buiten hun schuld in een uitzichtloze schuldenpositie geraken, opnieuw toegang tot de schuldsaneringsregeling moeten krijgen. In die zaak had betrokkene betoogd dat zij na de eerdere (met verlening van een ‘schone lei’ beëindigde) schuldsanering geen schulden meer gemaakt had, maar dat zij aansprakelijk was voor schulden uit het bedrijf van haar echtgenoot, die na een periode met ernstige gezondheidsklachten was komen te overlijden. Volgens het hof heeft in geval van een ‘schone lei’ de schuldenaar er blijk van gegeven de verplichtingen die de schuldsaneringsregeling met zich brengt, te kunnen nakomen. [6]
Rb. Roermond 19 januari 2012, LJN BV2264: slechte begeleiding door bewindvoerder tijdens eerdere schuldsaneringsregeling, partner zonder werk na confrontatie met een gewapende overval;
Hof Amsterdam 5 juli 2011, LJN BR0321, PRG 2011, 193: seksueel misbruik en bedreiging door eerste bewindvoerder;
Rb. Haarlem 5 december 2008, LJN BG6109: partner met drankprobleem, huiselijk geweld.