De zaak betreft een veroordeling door het Gerechtshof Den Haag van verdachte wegens bedreiging met zware mishandeling. Verdachte zou op 13 november 2011 in Lisse een persoon bedreigd hebben door met een voorwerp dichtbij diens hoofd te zwaaien en daarbij de woorden "wat moet je dan" te uiten. Het hof veroordeelde verdachte tot een taakstraf en subsidiair hechtenis.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van een bedreiging met zwaar lichamelijk letsel, mede omdat onduidelijk was wat voor voorwerp werd gebruikt. Getuigen verklaarden dat verdachte met een mes zwaaide, terwijl verdachte stelde dat het een iPhone was. Het hof liet dit in het midden en oordeelde toch dat de bedreiging objectief was.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is, omdat het zwaaien met een iPhone niet kan worden aangemerkt als een bedreiging met zwaar lichamelijk letsel. De motivering van het hof ontbreekt om aan te nemen dat de bedreiging reëel was. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.
De uitspraak benadrukt dat voor een veroordeling wegens bedreiging met zware mishandeling vereist is dat de bedreiging zodanig is dat bij het slachtoffer redelijke vrees kan ontstaan voor zwaar lichamelijk letsel, en dat de omstandigheden en aard van het gebruikte voorwerp daarbij doorslaggevend zijn.