Conclusie
eerste middelklaagt dat de rechtbank de opgelegde straf onvoldoende heeft gemotiveerd. In de eerste plaats omdat de rechtbank bij het bepalen van de straf heeft overwogen dat ‘de ernst van het feit beoordeeld dient te worden naar de normen welke gelden in het land waar dat feit is begaan’. Deze overweging zou onbegrijpelijk zijn gelet op art. 31, eerste lid, WOTS voor zover daarin is bepaald dat de rechtbank de straf of maatregel oplegt ‘welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld’. In de tweede plaats zou de opgelegde straf onvoldoende gemotiveerd zijn omdat de rechtbank het niet waarschijnlijk heeft geacht dat de veroordeelde, indien hij zijn straf in Duitsland zou uitzitten, al na ommekomst van de helft van de opgelegde gevangenisstraf in aanmerking zou komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling.
- de buitenlandse straf wordt omgezet in een in Nederland voor een soortgelijk feit gebruikelijke straf, omdat daarmee een gelijke behandeling wordt bereikt tussen de over te leveren onderdaan, die immers ook in Nederland had kunnen worden berecht, en een onderdaan die in Nederland wordt berecht, alsmede het belang van een beheersbare detentiecapaciteit.’ [11]
tweede middelklaagt dat de rechtbank een te beperkte aftrek heeft toegepast. De rechtbank zou hebben verzuimd om ook de in Nederland ondergane overleveringsdetentie in mindering te brengen.