ECLI:NL:HR:2012:BY4289

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/03277 W
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WOTSArt. 3 WOTSArt. 5 WOTSArt. 6 WOTSArt. 8 WOTS
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstel verzuim mindering overleveringsdetentie bij tenuitvoerlegging gevangenisstraf

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Maastricht over de tenuitvoerlegging van een buitenlandse strafvonnis op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS). De veroordeelde verbleef in Nederland in overleveringsdetentie en werd vervolgens vrijheidsbeneming opgelegd volgens de WOTS.

De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank onjuist het Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen als toepasselijk verdrag heeft aangenomen, terwijl het juiste verdrag het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen uit 1983 is. Hierdoor is nagelaten te bevelen dat de tijd die de veroordeelde in Nederland in overleveringsdetentie en WOTS-detentie heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf.

De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis voor zover dit verzuim betreft en beveelt dat deze detentietijd alsnog in mindering wordt gebracht. Voor het overige wordt het beroep verworpen. Het arrest is gewezen door de strafkamer van de Hoge Raad op 18 december 2012.

Uitkomst: De Hoge Raad beveelt dat de tijd in overleveringsdetentie en WOTS-detentie in Nederland in mindering wordt gebracht op de opgelegde gevangenisstraf.

Uitspraak

18 december 2012
Strafkamer
nr. S 12/03277 W
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Maastricht van 20 juni 2012, nummer 03/704204-12, omtrent een verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland tot overname van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing tegen:
[Veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, maar uitsluitend voor zover
- daarin de art. 3, 5, 8 en 21 Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen als toepasselijke verdragsbepalingen zijn vermeld, en
- de Rechtbank heeft verzuimd te bevelen dat bij de uitvoering van de opgelegde straf de tijd die de veroordeelde in Nederland in overleveringsdetentie en in hechtenis heeft doorgebracht in mindering zal worden gebracht,
en dat de Hoge Raad de art. 2, 3, 6, 9 en 11 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen als toepasselijke verdragsbepalingen zal vermelden en zal bevelen dat ook de in Nederland in overleveringsdetentie en in hechtenis doorgebrachte tijd in mindering wordt gebracht op de opgelegde gevangenisstraf, en dat de Hoge Raad het beroep voor het overige zal verwerpen.
1.2. Van de raadsman is op 27 november 2012 een akte intrekking van 26 november 2012 binnengekomen inhoudende dat het cassatieberoep wordt ingetrokken. De Hoge Raad zal hieraan voorbijgaan nu het beroep is ingetrokken nadat de Advocaat-Generaal ter terechtzitting van 20 november 2012 zijn conclusie had genomen en derhalve na de aanvang van de behandeling van het beroep als bedoeld in art. 453 Sv Pro (vgl. art. III aanhef en sub d van het Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad, Stcrt. 2008, 147).
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank heeft verzuimd te bevelen dat bij de tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf de tijd die hij in Nederland in overleveringsdetentie heeft doorgebracht en de tijd die hij uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) van zijn vrijheid is beroofd geweest, in mindering zal worden gebracht.
2.2. Deze klacht is gegrond. De Hoge Raad zal het verzuim herstellen. Gelet ook op hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal, in het bijzonder onder 9 en 11, is vermeld, neemt de Hoge Raad daarbij in aanmerking dat het in art. 2 WOTS Pro bedoelde verdrag krachtens welk de buitenlandse rechterlijke beslissing in Nederland kan worden tenuitvoergelegd, niet is het door de Rechtbank van toepassing geachte Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen (Trb. 1992, 39), maar het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74).
2.3. Voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover de Rechtbank heeft verzuimd te bevelen dat de door de veroordeelde als gevolg van het Duitse overleveringsverzoek in Nederland in overleveringsdetentie doorgebrachte tijd alsmede de tijd die hij uit hoofde van de WOTS van zijn vrijheid is beroofd geweest bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
beveelt dat op de opgelegde gevangenisstraf - naast de reeds in mindering gebrachte tijd die de veroordeelde in Duitsland van zijn vrijheid is beroofd geweest ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie en met het oog op zijn overbrenging naar Nederland - in mindering zal worden gebracht de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak in Nederland in overleveringsdetentie heeft doorgebracht en de tijd die hij uit hoofde van de WOTS van zijn vrijheid is beroofd geweest;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 18 december 2012.