Conclusie
eerste middelklaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het geldbedrag van € 40.850,-. Het is op zichzelf juist dat die wetenschap daaruit niet met zoveel woorden blijkt. Uit de bewijsmiddelen blijkt wel dat het geldbedrag is aangetroffen in een duivenhok, waarover de verdachte verklaart: “Ik woon op de [a-straat] 2 te Utrecht. Ik heb een duivenhok buiten staan. Deze is alleen van mij. Deze staat achter de wagen.” Daarnaast heeft verdachte, blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep, verklaard dat hij wel degelijk op de hoogte was van de aanwezigheid van het geldbedrag. [2] Het hof had deze verklaring ter terechtzitting beter in de bewijsmiddelen kunnen opnemen. Dat dit niet is gebeurd, hoeft naar mijn mening echter niet tot cassatie te leiden. Nu in feitelijke aanleg niet het verweer is gevoerd dat verdachte niets wist van het aangetroffen geldbedrag, heeft het hof zijn kennelijke oordeel dat de verdachte op de hoogte is geweest van de aanwezigheid hiervan in zijn duivenhok uit de gebezigde bewijsvoering kunnen afleiden. [3]
tweede middelklaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat het aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was.