Conclusie
tweede middelbehelst vier klachten die alle zijn gericht tegen de door het Hof bevolen dadelijke uitvoerbaarheid van de bij de veroordeling opgelegde bijzondere voorwaarden.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en kreeg een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden opgelegd. Het hof verklaarde de bijzondere voorwaarden, waaronder huisarrest tijdens de jaarwisseling en het verbod op vuurwerkbezit, dadelijk uitvoerbaar.
De verdachte stelde in cassatie meerdere middelen aan, waaronder dat het hof onterecht de dadelijke uitvoerbaarheid had bevolen, dat dit in strijd zou zijn met de onschuldpresumptie en het legaliteitsbeginsel, en dat de motivering ontoereikend was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de beslissing toereikend had gemotiveerd en dat de dadelijke uitvoerbaarheid door de rechter in hoger beroep mogelijk is. Tevens werd geoordeeld dat de bijzondere voorwaarden niet in strijd zijn met het EVRM en dat het legaliteitsbeginsel niet wordt geschonden omdat de regeling alleen de tenuitvoerlegging betreft.
De Hoge Raad bevestigde dat het criterium voor dadelijke uitvoerbaarheid is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een misdrijf zal plegen gericht tegen de lichamelijke integriteit. De motivering van het hof voldeed hieraan. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de dadelijke uitvoerbaarheid van bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke straf wordt verworpen.