Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1behelst
onder ade klacht dat het hof een onjuiste uitleg of toepassing heeft gegeven aan de (onder 2.6 hiervoor) geciteerde bepaling in de Aanwijzing executie. In het bijzonder heeft het hof volgens de Staat miskend dat het O.M. rechtens gehouden is de opgelegde straf volledig ten uitvoer te leggen. Dit volgt uit de wet, maar ook uit de Aanwijzing zelf, waarin immers is bepaald (par. 1):
onder bhoudt in, dat de door het hof in rov. 10 onder a – h genoemde feiten en omstandigheden afzonderlijk noch gezamenlijk meebrengen dat in dit geval sprake is van “bijzondere omstandigheden”.
Onderdeel 3komt neer op de motiveringsklacht dat de door het hof in rov. 10 genoemde omstandigheden onder a tot en met h de beslissing niet kunnen dragen. De genoemde klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
kansom compensatie te vragen, hoewel in vergelijkbare gevallen (art. 27 lid 4 Sr Pro, art. 90 lid 4 Sv Pro en art. 15 lid 5 Sr Pro) wel een mogelijkheid tot verrekening bestaat. Deze ongelijke behandeling door de wetgever pleit vóór de bestreden beslissing en is in elk geval een onderwerp dat de aandacht van de wetgever behoeft.