Conclusie
[verdachte]
Oplegging van straf en maatregel
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die door het Gerechtshof Amsterdam is veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en medeplegen van witwassen. Het hof legde een gevangenisstraf van negen maanden op, waarvan vier voorwaardelijk, en sprak verbeurdverklaring uit over het in beslag genomen geld.
De verdachte voerde in hoger beroep aan dat het geld afkomstig was uit legale bronnen, zoals de exploitatie van een coffeeshop en een stichting in Suriname die rijstvelden exploiteerde. Het hof concludeerde echter dat de verdachte onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het geld legaal was verkregen, mede gelet op de vondst van grote hoeveelheden softdrugs, een schaduwboekhouding en verklaringen van de ex-echtgenote die het geld als zwart geld bestempelde.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat het geld van misdrijf afkomstig was en dat het handelen van de verdachte gericht was op het verbergen en verhullen van de criminele herkomst. Ook de strafmotivering en de verbeurdverklaring werden als voldoende gemotiveerd beoordeeld. De Hoge Raad verwierp de cassatie en bevestigde het arrest van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot negen maanden gevangenisstraf, waarvan vier voorwaardelijk, en de verbeurdverklaring van het in beslag genomen geld.