Conclusie
1.Feiten
beperkingen, belemmeringen en vertragingenals gevolg van het (te nemen) voorbereidingsbesluit. De gemeente heeft het door [eiser] ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Het voorbereidingsbesluit heeft tot 19 december 2002 gegolden. Uiteindelijk heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 23 juni 2004 het voorbereidingsbesluit herroepen voor zover dit het bouwperceel van [eiser] betrof.
2.Procesverloop
4.3.5. De exploitatieovereenkomst
Nietigheid c.q. vernietigbaarheid van de exploitatie-overeenkomst
3.Bespreking van de middelen
onder 1.1;het is gericht tegen rov. 7 voor zover deze overweging mede dragend is geweest voor de beslissing in rov. 13 dat [eiser] op de voet van art. 6:210 lid 2 BW Pro een vergoeding van € 259.369,10 (inclusief btw) verschuldigd is. Indien in een exploitatieovereenkomst de bepalingen van de exploitatieverordening niet in acht zijn genomen, leidt dat volgens [eiser] tot nietigheid van de overeenkomst op de voet van art. 3:40 lid 1 BW Pro.
ongerechtvaardigdevoordelen. [12] Uitgaven, gebaseerd op gemiddeldes voor een aantal percelen, zullen zeker niet steeds en zonder meer voordelen zijn voor een bepaalde persoon, laat staan ongerechtvaardigde voordelen.
op dezelfde wijzede waardevergoeding als bedoeld in artikel 6:210 lid 2 BW Pro hebben becijferd” (s.t. onder 24, cursivering toegevoegd).
onderdeel 1.1belang omdat de vraag wat de gemeente toekomt hoe dan ook op grond van art. 6:210 lid 2 BW Pro had moeten worden becijferd (s.t. onder 25). Dat laatste is juist, maar het brengt niet mee dat de klacht belang mist. Waar het om gaat is waartoe de becijfering op genoemde voet zou hebben moeten leiden. Op de hiervoor geschetste gronden is zeker niet aanstonds duidelijk dat de uitkomst van deze besommingen dezelfde zou zijn geweest als het door het Hof aan het slot van rov. 13 genoemde bedrag. Nu het Hof zich, in zijn redenering vanzelfsprekend, niet heeft gebogen over de vraag op welk bedrag [eiser] aanspraak kon maken ingeval de “exploitatie-overeenkomst” nietig zou zijn geweest, kon [eiser] zo’n niet gegeven oordeel moeilijk bestrijden.
geensprake was. Nu na verwijzing zal moeten worden onderzocht waarop de gemeente, op de voet van art. 6:203 jo Pro. 6:210 lid 2 BW, aanspraak kan maken, mist rov. 13 verder belang. Hetzelfde geldt voor de daartegen ingebrachte klachten. Voor de goede orde en voor zover nodig zal ik hierna nochtans op een aantal pijnpunten in ’s Hofs oordeel ingaan, voor zover het debat daarover door de klachten wordt ontsloten.
onderdelen 2.1 eerste twee volzinnenen het slot van
onderdeel 2.10schemeren klachten door die inhaken op de hiervoor als onjuist bestempelde benadering op basis van een gemiddelde. Die klachten slagen op de eerder vermelde grond.
zijngenomen en de gebreken, die aan de exploitatieovereenkomst en het bekostigingsbesluit kleven,
zijngeheeld, berust het op een verkeerde rechtsopvatting. Zoals hiervoor onder 3.19.3 vermeld, is het aan de gemeente om aannemelijk te maken op welk bedrag zij aanspraak had kunnen maken, uitgaande van hetgeen de exploitatieovereenkomst inhoudt omtrent de aan haar te betalen vergoeding. Dat heeft het Hof in rov. 13 ook tot startpunt van zijn beoordeling genomen. Indien de gemeente aannemelijk maakt dat zij, ondanks de geconstateerde gebreken, aanspraak kan maken op een waardevergoeding die niet noemenswaardig van de overeengekomen exploitatiebijdrage verschilt, is haar op art. 6:210 lid 2 BW Pro gegronde vordering in zoverre toewijsbaar met – wat mij betreft – de hiervoor 3.5 – 3.10 gemaakte kanttekeningen.
Onderdeel 2.11klaagt daar op zich terecht over. Nochtans houd ik deze klacht voor ongegrond. Niet ter discussie staat immers dat [eiser] ten minste enige waardevergoeding voor de prestaties ter realisatie van het bestemmingsplan verschuldigd is. Alleen de exacte omvang van die te betalen vergoeding is nog ongewis. Hetgeen het Hof in rov. 20 omtrent de schade als gevolg van het door de gemeente gelegde conservatoire beslag heeft overwogen, geldt dan ook nog altijd onverkort.
dat[eiser] schade heeft geleden. Beide oordelen zijn moeilijk met elkaar te verenigen.
geenschade heeft geleden. Bij letterlijke lezing van de klachten én ’s Hofs arrest stuit onderdeel 3 hierop in zijn geheel af. Bevredigend is dat niet en nodig is het m.i. evenmin. Ik versta onderdeel 3.2 aldus dat het mede opkomt tegen ’s Hofs oordeel dat er
geenschade is. Volledigheidshalve merk ik in dit kader nog op dat de gemeente het oordeel van het Hof zo begrijpt dat “eventuele schade” naar billijkheid voor rekening van [eiser] moet blijven [35] en bijgevolg dus
nietaldus dat er in het geheel geen schade is.
volledigvoor zijn rekening laten van de schade. Waarom dat in de gegeven omstandigheden billijk zou zijn, is in ’s Hofs arrest niet (voldoende duidelijk) te lezen. Het valt ook niet in te zien.
onderdeel 3.3. In dat geval valt immers niet, althans niet zonder meer, in te zien waarom het causaal verband met de door [eiser] gestelde schade ontbreekt.
onderdeel 3.2.
zonder meervan
moestenovertuigen dat ze konden gaan bouwen als ze de weg van art. 50 lid 4 Woningwet Pro maar zouden volgen. Het venijn zit in de gecursiveerde woordjes. [40] Alleen als deze juist zijn, kan ’s Hofs oordeel standhouden. Zouden kopers kunnen aarzelen dan is ’s Hofs oordeel onbegrijpelijk.
toereikende(wat het Hof aanduidt als) “geruststelling” voor “potentiële kopers” uitging of zelfs maar kon uitgaan. Daarbij valt te bedenken dat veel potentiële kopers in dit soort kwesties allicht niet zijn geverseerd en dat ze, naar valt aan te nemen, graag volledige duidelijkheid én zekerheid zullen willen hebben in plaats van ambtelijke taal die ze niet (goed) kunnen begrijpen.
onderdeel 4met juistheid betoogt.