Conclusie
1.Feiten en procesverloop
onderdelen VI.1en VI.2(over de vraag of het onderscheidend vermogen van het merk van Red Bull is gewijzigd door het weglaten van de elementen “Krating-Daeng”, vgl. rov. 3.5.1-3.5.4 van het tussenarrest),
VII(of art. 2.27 lid 3 BVIE van toepassing is, zie rov. 3.6.1-3.6.2),
II.1-II.3(heeft het hof “Redbull Krating-Daeng” of het latere woordmerk “Red Bull” tot uitgangspunt genomen?, vgl. rov. 3.7.1-3.7.4) en het in het verlengde daarvan liggende
onderdeel IV.1(heeft het hof ten onrechte het woordmerk “Red Bull” betrokken bij de beoordeling tussen merk en teken?), terwijl de
onderdelen III(invloed op onderscheidend vermogen van het element “Bull” ten gevolge van gedogen door Red Bull van “Bullit”, zie rov. 3.8.1-3.8.3) en
IV.2(overeenstemming tussen “Red Bull Krating-Daeng” en “Red Bull”, vgl. rov. 3.9.1-3.9.3) slagen en
onderdeel V(is sprake van ongerechtvaardigd voordeel?) volgens dit tussenarrest op dat moment geen behandeling behoefde (zie rov. 3.10.1-3.10.2).
2.Nadere bespreking van onderdeel I van het cassatiemiddel
onderdeel Iin zes subonderdelen klachten richt tegen rov. 3.11 van het arrest van het Amsterdamse hof van 2 februari 2010, waarin het hof het beroep van [eiser] op de “geldige reden” uit art. 2.20 lid 1 onder c BVIE verwerpt:
onderdeel I.1klaagt terecht dat het hof ten onrechte het criterium uit het Claeryn/Klarein-arrest heeft toegepast nu het merkenrecht inmiddels (ook op dit punt) is geharmoniseerd. Het Unierechtelijke begrip “geldige reden” heeft een ruimere strekking dan het “noodzaak”-criterium waartoe het hof zijn onderzoek beperkte. Verkade geeft in 3.55 van zijn conclusie aan dat het hof heeft afgewezen het betoog van [eiser] dat gebruik van zijn merk “The Bulldog” past in de historie van zijn eigen label en de daarbij gehanteerde merchandising en marketingstrategie, maar dat dat betoog voor herbeoordeling in aanmerking komt onder het – juiste, ruimere – Unierechtelijke begrip “geldige reden”, zoals inmiddels nader geconcretiseerd in de aankleding van de goede trouw eis uit het prejudiciële arrest, zo valt daar nu aan toe te voegen. Het hof waar naar verwezen wordt moet daarbij volgens dit arrest “inzonderheid” (kennelijk niet uitsluitend) rekening houden met:
Onderdeel I.2behoeft geen behandeling, omdat er een prejudiciële vraag is gesteld over de reikwijdte van “geldige reden” uit art. 5 lid 2 Merkenrichtlijn Pro. Ik zie, met Verkade, bij gegrondbevinding van onderdeel I.1 geen belang bij de klachten uit de
onderdelen I.3, I.4 en I.6. Nu het begrip “geldige reden” immers een Unierechtelijk begrip is, dat verschilt van dat onder het oude Beneluxmerkenrecht, is er geen aanleiding in te gaan op de vraag of ook als het criterium uit het Claeryn-arrest identiek zou zijn aan het Unierechtelijke begrip, het hof zou hebben miskend dat onder die leer een eigen recht om het teken te gebruiken ook een geldige reden oplevert (waar overigens bepaald iets in zit, vgl. Verkade’s conclusie onder 3.58 en 3.62, maar daar komen we niet aan toe). Ook
onderdeel I.5over een eigen recht gebaseerd op onrechtmatige daad in verbinding met art. 10 bis Pro Verdrag van Parijs (dat niet rechtstreeks werkt) strandt op de gronden uit Verkade’s conclusie onder 3.59-3.61. Het onzelfstandige
onderdeel I.6behoeft geen nadere bespreking.
3.Nadere bespreking van onderdeel V van het cassatiemiddel
onderdeel IV.2slaagt, lijkt geen belang meer te bestaan bij
onderdeel Ven voor zover dat anders moet worden gezien, falen de klachten om de redenen aangegeven in de conclusie van Verkade t.a.p.
4.Proceskosten
aanvullende kosten, dus gemaakt na verwijzing, buitenproportioneel zijn en daarom de redelijkheids- en evenredigheidstoets van art. 1019h Rv niet kunnen doorstaan. Naast de kosten van de cassatieadvocaten van bijna € 60.000, hebben de cassatiecorrespondenten - de advocaten uit de feitelijke instanties - iets meer dan € 50.000 gefactureerd aan werkzaamheden in cassatie, waaronder een bedrag van € 24.378,50 voor proceswerkzaamheden, zoals het opstellen van de schriftelijke toelichting. Red Bull meent dat mag worden aangenomen dat zij de zaak nu juist uit handen hebben gegeven aan de cassatieadvocaten. Nu een nadere toelichting op de verdeling van werkzaamheden tussen de betrokken advocaten ontbreekt, concludeert Red Bull dat er in grote mate sprake is van doublures, die niet voor haar rekening behoeven te komen. Verder betoogt Red Bull dat de reis- en verblijfkosten van mrs. Cohen Jehoram en Bakers voor hun bezoek aan Luxemburg niet kwalificeren als kosten in de zin van art. 1019h Rv en dat deze daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij verdient volgens Red Bull opmerking dat slechts een van beiden daar het woord voerde en de ander slechts als toehoorder aanwezig was. Red Bull verzoekt daarom een eventueel ten gunste van [eiser] uit te spreken proceskostenveroordeling in vergaande mate te matigen.
nahet verwijzingsarrest en ook al zou het best kunnen; de kwestie is van groot belang voor de praktijk). Misschien dat de op afzienbare termijn afkomende indicatietarieven voor de appel- en cassatie-instantie (nog) prangender aanleiding kunnen vormen om de alsdan voorlopig uitgekristalliseerde praktijk sinds medio 2006 [18] bij een geschikte zaak eens tegen het Luxemburgse licht te houden. Over dergelijke indicatietarieven is overleg gaande, maar deze zijn nog niet (ook niet in concept) voorhanden/gepubliceerd, voor zover mij bekend. Indicatietarieven vormen ook bepaald geen panacee, ik zie het meer als een eerste op zichzelf in deze fase van de rechtsontwikkeling wenselijke en liefst zo spoedig mogelijk te nemen stap. Zij zouden een aanzet kunnen zijn om na te denken over een vorm van een “Streitwert”/“Gegenstandswert”-systeem dat in Duitsland wordt gehanteerd (en daar in overeenstemming met art. 14 Handhavingsrichtlijn Pro wordt geacht), waarbij gestaffelde vaste tarieven zijn gekoppeld aan de door de rechter in het begin van het geding begrote zaaksbelang [19] (de “Streitwert”/“Gegenstandswert”), hetgeen een vergoedingensysteem oplevert dat (in hoge mate) onafhankelijk is van het aantal behandelende advocaten, zoals dat ook geldt voor het liquidatietarief. Zo zouden de indicatietarieven, bijvoorbeeld in LOVC-verband of ander overleg binnen de rechtspraak in samenspraak met de Orde van Advocaten, kunnen evalueren in een mogelijk wenselijker [20] systeem van maximumtarieven met een zaaksbelang-koppeling, dat overigens en vanzelfsprekend een fijnmaziger stelsel zou moeten zijn dan de huidige indicatietarieven uit de eerste aanleg. Dat heeft als voor de praktijk belangrijk voordeel dat een redelijke mate van duidelijkheid vooraf bestaat over het maximale proceskostenrisico, een duidelijkheid die in het huidige stelsel ontbreekt [21] . Voor Nederland lijkt zo’n systeem nu nog toekomstmuziek, maar dat duurt vermoedelijk op het terrein van het octrooirecht niet langer meer dan een paar jaar. Indien het zogenoemde eengemaakte octrooigerecht van start gaat met een lokale divisie in Nederland binnenkort [22] , wordt een dergelijk systeem ook in onze rechtssfeer geïntroduceerd, voor zover nu valt te overzien [23] . De bepleite gedachte is dan ook minder uit de lucht gegrepen, dan bij eerste beschouwing door een zuiver Nederlandsrechtelijke kostenbril zou kunnen lijken [24] .
nietbestreden. De cassatieadvocaten hebben na 25 februari 2011 € 58.459,25 in rekening gebracht en de cassatiecorrespondenten € 50.122,06. De doublures zitten volgens Red Bull in de omstandigheid dat de cassatiecorrespondenten onder meer een bedrag van € 24.378,50 in rekening hebben gebracht voor “proceswerkzaamheden”, zoals het opstellen van de schriftelijke toelichting.