Conclusie
[verdachte]
[ten aanzien van sub 7 wat betreft M2 en M5]heeft vervaardigd, welke afbeeldingen van (een) seksuele gedraging(en) bestonden uit
tweedemiddel klaagt dat het Hof zijn oordeel dat de geplastificeerde platen M2, M3, M4, M5 en M7 van kinderpornografische aard zijn ontoereikend heeft gemotiveerd en datzelfde heeft te gelden van de verwerping van een dienaangaand gevoerd verweer.
niet-kinderpornografische afbeeldingen, maar het tegendeel volgt uit ’s Hofs uiteenzetting van wat de collages aan afbeeldingen - los van het samenvoegen etc. - behelzen, onder meer: vagina’s meermalen geprononceerd in beeld; gespreide schaamlippen; veelal ontdaan van de achtergrond van de oorspronkelijke foto en daarmee van de natuurlijk omgeving. Het middel berust in zoverre dus op een onjuiste, want een te beperkte, lezing van de bestreden uitspraak.
eerstemiddel klaagt over ‘s Hofs bewijsvoering van het bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzet van verdachte op de kinderpornografische aard van de onder 1 bewezenverklaarde afbeeldingen, alsmede over ’s Hofs verwerping van een namens verdachte gevoerd verweer.
derdemiddel klaagt over de strafmotivering, omdat daarin verdachtes proceshouding is betrokken.