Conclusie
Het middel van cassatie
Parket bij de Hoge Raad
Deze cassatie in het belang der wet betreft de vraag of een verzoek tot opheffing van voorlopige hechtenis zich kan richten tegen de gronden waarop die voorlopige hechtenis is bevolen. De Rechtbank Haarlem wees het verzoek af omdat de verdachte geen hoger beroep had ingesteld tegen de beslissing van de raadkamer. Het Hof Amsterdam bevestigde deze afwijzing.
De A-G stelt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen alleen betrekking heeft op de beslissing zelf, niet op de gronden waarop die beslissing rust. Een verzoek tot opheffing kan daarom ook inhoudelijke gebreken van het bevel tot voorlopige hechtenis aanvechten, ook als geen hoger beroep is ingesteld. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis van art. 69 Sv Pro en eerdere jurisprudentie.
De conclusie is dat de rechtbank bij een verzoek tot opheffing moet toetsen of aan de wettelijke vereisten is voldaan, ook als het verzoek louter is gebaseerd op de stelling dat de beslissing op onjuiste gronden is genomen. Het oordeel van de rechtbank dat het verzoek niet kan worden toegewezen vanwege het ontbreken van hoger beroep berust op een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad wordt verzocht de beschikking van de Rechtbank te vernietigen.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt dat een verzoek tot opheffing van voorlopige hechtenis ook kan worden gebruikt om de gronden van die hechtenis aan te vechten, ook als geen hoger beroep is ingesteld.