Conclusie
middel, dat zich richt op de veroordeling wegens witwassen, bevat twee klachten, die ik in de navolgende volgorde zal bespreken:
€ 328,15
€ 5.466,74
€ 199,95
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak werd verdachte veroordeeld voor witwassen op grond van het storten en omzetten van contante geldbedragen afkomstig uit eigen misdrijf op zijn eigen bankrekening. Het hof had geoordeeld dat deze handelingen witwassen opleverden vanwege het verbergen van de criminele herkomst.
De Hoge Raad onderzocht of het enkele storten van contant geld op een eigen rekening kan worden gekwalificeerd als 'omzetten' in de zin van art. 420bis Sr en of dit automatisch witwassen inhoudt. De Hoge Raad bevestigde dat voor witwassen een gedraging vereist is die gericht is op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst.
De Hoge Raad constateerde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat de stortingen van verdachte ook daadwerkelijk op die wijze gericht waren. Desondanks achtte de Hoge Raad vernietiging en terugwijzing niet nodig omdat de aard en ernst van het bewezenverklaarde niet wezenlijk werden aangetast.
Uit het dossier bleek dat verdachte contant geld had gestort, contante huurbetalingen deed en andere uitgaven verrichtte die niet verklaard konden worden uit legale inkomsten. Tapgesprekken en bankgegevens toonden contacten met personen met criminele antecedenten en betrokkenheid bij diefstallen.
De Hoge Raad benadrukte de ratio van de witwasbepalingen, namelijk het beschermen van de integriteit van het financieel verkeer, en wees op de noodzaak van een extra handeling gericht op verbergen om dubbele strafbaarheid te voorkomen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De veroordeling voor witwassen blijft in stand; het storten van contant geld op eigen rekening is witwassen indien gericht op verbergen van de criminele herkomst.