Conclusie
- de oorlel van [slachtoffer] met zijn (verdachtes) mond betast/aangeraakt en/of
- terwijl zowel hij als [slachtoffer] gekleed was met zijn penis tegen het achterwerk van [slachtoffer] geduwd/gewreven en/of [slachtoffer] zijn penis laten vastpakken en/of laten aftrekken en/of
- bovenop [slachtoffer] gelegen en/of
- de borst(en) en/of de buik van [slachtoffer] betast/aangeraakt en/of
- zijn (verdachtes) vinger(s) en/of tong en/of penis in de vagina van [slachtoffer] gebracht/geduwd
- zijn (verdachtes) tong in de mond van [slachtoffer] gebracht/geduwd”.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft:
(…)
3° degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.”
in de relatie hulpverlener-patiënt/cliëntstrafbaar, omdat in een dergelijke functionele relatie een bepaalde mate van afhankelijkheid bestaat die gevolgen
kan hebbenvoor de vrijwilligheid van de seksuele relatie. Dit verbod geldt alleen dan niet, als het seksuele contact
niet samenhangt met of voortvloeit uit de hulpverleningsrelatie. Dus als bij de patiënt/cliënt sprake is van
vrijwilligheiden enige vorm van uit een hulpverleningsrelatie voortvloeiende
afhankelijkheid niet van invloed isen de seksuele handelingen los staan van de relatie tussen de hulpverlener en zijn cliënt, dan vallen de seksuele handelingen niet onder het bereik van art. 249, tweede lid onder 3°, Sr. Eén van de meest voor de hand liggende voorbeelden van de laatstgenoemde situatie is in de wetsgeschiedenis genoemd, namelijk als de patiënt/cliënt de levensgezel van de hulpverlener is. In de lagere jurisprudentie zijn ook andere voorbeelden te vinden zoals in het geval van een vrijwillige affectieve relatie tussen iemand die werkzaam is bij de verslavingsreclassering en zijn cliënte [7] en een liefdesrelatie tussen een sociotherapeut en patiënt van de Van Mesdagkliniek waarin de rechtbank aanvankelijk vrijsprak omdat geen sprake zou zijn geweest van afhankelijkheid, maar het hof in hoger beroep toch tot een veroordeling kwam omdat weliswaar sprake was van vrijwilligheid maar die situatie naar het oordeel van het hof wel degelijk was beïnvloed door de afhankelijkheid van de TBS-gestelde van de sociotherapeut. [8] Deze gevallen hebben echter alle betrekking op seksuele contacten gedurende de hulpverleningsrelatie.
toevertrouwdaan de hulp of zorg van iemand die werkzaam is in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg. Een bredere reikwijdte van de strafbaarstelling, in de zin dat deze doorloopt ook na de afloop van een therapie of behandeling, zou op gespannen voet staan met het legaliteitsbeginsel.
middelklaagt dat het oordeel van het hof dat geen sprake was van ontucht in de zin van art. 249, tweede lid onder 3°, Sr blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat dit zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.
binneneen behandelrelatie, ook gelden voor de situatie dat deze behandelrelatie is beëindigd. Tegen die interpretatie zou ik mij willen verzetten. Naar mijn mening kunnen de overwegingen van de rechtbank en het hof echter ook zo worden gelezen dat er in casu niet alleen een formele beëindiging heeft plaatsgevonden van de behandelrelatie, maar dat de seksuele handelingen ook nadien niet in het kader van een (materiële voortzetting) van de behandelrelatie hebben plaatsgevonden.
zoals zij die bij de politie heeft geschetst. Tijdens de vier therapiesessies is het stellen van grenzen in seksualiteit kennelijk als ‘een’ aandachtspunt besproken, maar dat is duidelijk iets anders dan dat aangeefster tegenover verdachte, op de zeer uitgebreide wijze als weergegeven in de aangifte, de volledige doopceel zou hebben gelicht over haar seksuele voorgeschiedenis. Dus voor zover de steller van het middel meent een tegenstrijdigheid te bespeuren tussen de vaststellingen dat het stellen van grenzen in seksualiteit als aandachtspunt tijdens de therapie is besproken en dat verdachte gedurende de therapeutische relatie en de seksuele relatie daarna niet op de hoogte was van de seksuele problematiek van aangeefster, berust ook dit op een onjuiste lezing van het bevestigde vonnis.