Conclusie
( [2] )De Bank stelt op het moment van indienen van het inleidend faillissementsverzoek op [verzoeker] opeisbare vorderingen te hebben van € 5.673.125,- (door het hof genoemd “Krediet [verzoeker] I”), € 1.608.564,35 (door het hof genoemd: “Krediet [verzoeker] 2”), € 9.500.000,- en € 3.000.000,- (door het hof genoemd: “Borgtochten Berzona”) en van € 5.000.000,- (door het hof genoemd “Borgtocht Kraayenstein”), een en ander te vermeerderen met achterstallige rente en kosten. Deze vorderingen komen voort uit leningen dan wel borgstellingen.
( [3] )Ter verwerping van de stelling overweegt de rechtbank, dat [verzoeker] bij een brief van 8 maart 2013, welke terug is ontvangen met een stikker met de aantekening ‘Zurück/Retour/Ritorno’, in de gelegenheid is gesteld om binnen acht dagen na verzending van de brief een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen te doen. Bovendien had ook de Bank in haar oproepingsexploit op die mogelijkheid gewezen en genoot [verzoeker] vanaf 27 februari 2013 bijstand van gekwalificeerde advocaten genoot. Ook verwerpt de rechtbank het verweer van [verzoeker] dat niet aan de voorwaarden voor het uitspreken van het faillissement is voldaan, aangezien de vorderingen van de Bank mede vanwege een ‘service-afspraak’ met de Bank niet opeisbaar zijn en hij niet in de toestand verkeert van opgehouden te zijn met betalen. Verder stelt de rechtbank vast dat aan het pluraliteitsvereiste is voldaan.
( [4] )In zijn arrest van 20 juni 2013 verwerpt het hof de met de toelating tot de schuldsaneringsregeling samenhangende verweren van [verzoeker] (rov. 3.9.1 t/m 3.9.10) en ook de overige verweren van hem tegen het uitspreken van zijn faillissement voor zover gehandhaafd (rov. 3.9.11 t/m 3.9.25) om vervolgens in rov. 3.10 te concluderen dat de vordering van de Bank summierlijk aannemelijk is, dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers en dat [verzoeker] in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen. Het hof beslist tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank.
( [5] )- beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift bevat aan het slot een voorbehoud tot aanvulling of verbetering van het cassatiemiddel nadat het proces-verbaal van de zitting van 5 juni 2013 zal zijn ontvangen. Na ontvangst van het proces-verbaal is van dat voorbehoud gebruik gemaakt; in het op 11 september 2013 bij de Hoge Raad binnengekomen aanvullend verzoekschrift zijn nog nadere klachten aangevoerd. Partijen hebben vervolgens hun zaak schriftelijk doen toelichten. [verzoeker] heeft daarna nog van repliek gediend.
2.Bespreking van de cassatieklachten
( [6] ), de behandeling van de aanvraag van zijn faillissement had moeten schorsen ten einde eerst een beslissing te nemen omtrent de toelating van [verzoeker] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Die oordelen van het hof die inhouden dat aan de voorwaarden voor het uitspreken van het faillissement van [verzoeker] wordt voldaan, blijven als zodanig onbestreden.
( [7] )
( [8] )Is een verzoek tot faillietverklaring en een verzoek tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling gelijktijdig aanhangig dan, zo schrijven de leden 1 en 2 van artikel 3a Fw voor, wordt het laatstgenoemde verzoek eerst behandeld en wordt de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring geschorst totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak op het verzoek tot uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling is beslist.
( [9] ). Van deze opstelling draagt [verzoeker] het risico. Met dit laatste bedoelt het hof te zeggen dat de zojuist genoemde stellingen van [verzoeker] niet voor juist kunnen worden gehouden.
( [10] )
“Bovendien belette niets het gerechtshof om de rechtbank te vragen het proces-verbaal aan het gerechtshof toe te zenden, zoals dat in de praktijk wel vaker gebeurt”. Hierop wordt in § 32 van het aanvullend verzoekschrift voortgeborduurd met de bewering:
“[verzoeker] meent voorts dat, vgl. onder 16 van zijn verzoekschrift tot cassatie, gelet op de thans gebleken heropening van het onderzoek, het gerechtshof zelf het proces-verbaal bij de rechtbank had behoren op te vragen, om ook op die basis [verzoeker] gelegenheid voor het geven van een reactie te bieden”. Ook indien in deze twee uitlatingen een – genoegzaam uitgewerkte en/of tijdig aangevoerde – klacht zou kunnen worden gelezen tegen de beslissing van het hof dat het niet overleggen van het proces-verbaal van de hoorzitting bij de rechtbank voor risico van [verzoeker] komt in die zin dat mede daardoor de juistheid van de twee hiervoor in 2.4 genoemde stellingen van [verzoeker] niet voor juist kunnen worden gehouden, slaagt die klacht niet. Het is aan de betrokken partij en niet aan de rechter om de juistheid of aannemelijkheid van stellingen, die zij naar voren heeft gebracht en door de wederpartij zijn betwist, aan te tonen (artikel 150 Rv Pro). Bovendien, afgezien van de in artikel 34 lid Pro 1, sub b, Rv bedoelde verplichting tot het overleggen van stukken aan de rechter, kan de rechter krachtens artikel 21 Rv Pro een partij bevelen om op een zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Laat de partij dat na zonder daarvoor een gewichtige reden te hebben, dan kan de rechter daaraan de gevolgtrekking verbinden die hij geraden acht. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de raadsman van [verzoeker] meegedeeld dat [verzoeker] wel over het proces-verbaal beschikt maar dat [verzoeker] ervoor gekozen heeft om het niet over te leggen omdat het zo summier is en vol fouten van wie wat gezegd heeft zit.
( [11] )Hierin heeft het hof geen gewichtige reden voor het niet overleggen van het proces-verbaal hoeven te zien.
( [12] )
reeds– (zie ook voetnoot 13) – om die reden het hof niet in een dergelijk verzoek aanleiding heeft hoeven te vinden om te oordelen dat de rechtbank ten onrechte de behandeling van de aanvraag van de Bank van het faillissement van [verzoeker] niet heeft geschorst en niet eerst een beslissing heeft genomen omtrent de toelating van [verzoeker] tot de schuldsaneringsregeling.
( [13] )
( [14] )In een dergelijke situatie ligt het in de reden dat het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling een subsidiair karakter draagt in die zin dat het pas voor een beoordeling in aanmerking komt, nadat in het kader van de beoordeling van de aanvraag van het faillissement en het verweer daartegen is vastgesteld dat de schuldenaar in de toestand van opgehouden hebben te betalen verkeert.
“De behandeling van het verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist op het verzoek tot het uitspreken van toepassing van de schuldsaneringsregeling.”Er wordt niet gerept van de mogelijkheid voor de schuldenaar om in het verzoekschrift, waarin hij zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling doet nadat diens faillissement is aangevraagd, het voorbehoud op te nemen dat het verzoek pas in behandeling dient te worden genomen indien de verweren, die hij tegen het aanvragen van zijn faillissement opvoert en in het bijzonder het verweer dat hij niet verkeert in de toestand van opgehouden hebben te betalen, worden verworpen. In artikel 3a Fw wordt het maken van het voorbehoud echter ook niet uitgesloten. Van een bedoeling van de wetgever om het maken van het voorbehoud niet toe te staan blijkt uit de parlementaire geschiedenis van artikel 3a Fw ook niet.
( [15] )Uit de strekking van de bepaling volgt dat evenmin. De bepaling is bedoeld om de schuldenaar, van wie het faillissement is aangevraagd, ter wille te zijn door hem de mogelijkheid te bieden om tot gecontroleerde afwikkeling van zijn schulden te komen in het kader van een schuldsaneringsregeling in plaats van in het kader van een faillissement. Het strijdt niet met die bedoeling om de schuldenaar pas die mogelijkheid te laten benutten, nadat in rechte duidelijk is geworden dat aan de voorwaarden voor het uitspreken van het faillissement op zichzelf wordt voldaan. Er zijn, naar het voorkomt ook geen andere (klemmende) redenen om een verzoek op een dergelijke subsidiaire of voorwaardelijke voet niet wenselijk te vinden. Anders gezegd, er is voldoende reden en ruimte om te aanvaarden dat aan lid 2 van artikel 3a Fw een toepassing kan worden gegeven in die zin dat de daarin voorziene opschorting ook naar aanleiding van een daartoe strekkend voorbehoud van de schuldenaar op een later moment kan plaats vinden dan op het moment waarop de situatie van het gelijktijdig aanhangig zijn van een verzoek tot toelating tot de schuld-saneringsregeling en de aanvraag van een faillissement ontstaat.
( [16] )
( [17] )