ECLI:NL:PHR:2013:CA3767
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging wijziging huwelijkse voorwaarden en vaststellingsovereenkomst wegens wederzijdse dwaling
Partijen zijn in 1985 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met een periodiek verrekenbeding dat niet werd uitgevoerd. De man bouwde vermogen op via een onderneming. In 2007 wijzigden zij de huwelijkse voorwaarden en sloten een vaststellingsovereenkomst waarbij verrekening over eerdere periodes werd uitgesloten. Na echtscheiding in 2009 stelde de vrouw dat zij door deze overeenkomst en wijziging benadeeld was en dat sprake was van (wederzijdse) dwaling.
De rechtbank vernietigde de vaststellingsovereenkomst en de wijziging van de huwelijkse voorwaarden, omdat de vrouw voor meer dan een vierde was benadeeld en partijen uitgingen van een verkeerde interpretatie van het inkomensbegrip. Het hof bekrachtigde dit oordeel en oordeelde dat de overeenkomst niet kwalificeerde als vaststellingsovereenkomst maar als wijziging van rechten en plichten. Het hof stelde vast dat de vrouw dwalend was en dat de benadeling evident was, waardoor vernietiging op grond van art. 1:135 lid 2 BW Pro in verbinding met art. 3:196 BW Pro gerechtvaardigd was.
De man stelde cassatieberoep in, maar de Hoge Raad verwierp dit. Het hof had de juiste maatstaf (Haviltex) toegepast bij uitleg van de huwelijkse voorwaarden en de overeenkomst. Het oordeel dat sprake was van wederzijdse dwaling bij de wijziging van de huwelijkse voorwaarden was voldoende gemotiveerd. De vernietiging van de overeenkomst en wijziging bleef daarmee in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vernietiging van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden en de vaststellingsovereenkomst wegens wederzijdse dwaling en benadeling van de vrouw.