ECLI:NL:PHR:2013:BZ8635
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling begin van uitvoering bij poging valselijk opmaken betaalpassen via skimmen
In deze zaak stond de vraag centraal of de handelingen van verdachte, die een pinterminal had losgeschroefd en een gat in de behuizing had gebrand, als een begin van uitvoering van het misdrijf van valselijk opmaken van betaalpassen konden worden aangemerkt. Verdachte werd aangehouden nadat hij zich had laten insluiten in een filiaal van Ikea en onder een bed was aangetroffen met bij zich onder meer een schroevendraaier en printplaatjes.
Het hof had vastgesteld dat het beschadigen van de pinterminal en het voorbereiden van het plaatsen van aangepaste printplaatjes, waarmee bankgegevens konden worden verkregen, een gebruikelijke methode is om betaalpassen te skimmen. De Hoge Raad oordeelde dat deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf en dus een begin van uitvoering vormden.
De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van een begin van uitvoering omdat er geen valse betaalpassen waren aangetroffen en onduidelijk was of de printplaatjes geschikt waren voor het opslaan of verzenden van pincodes. De Hoge Raad verwierp dit verweer en benadrukte dat het feit dat de printplaatjes nog niet waren geplaatst en de geschiktheid ervan niet expliciet was vastgesteld, niet aan de bewezenverklaring afdoet.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de veroordeling voor poging tot valselijk opmaken van betaalpassen. De zaak illustreert de toepassing van het criterium van begin van uitvoering bij pogingen tot complexe technische delicten zoals skimmen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het losmaken en beschadigen van een pinterminal een begin van uitvoering vormt van poging tot valselijk opmaken van betaalpassen.