ECLI:NL:PHR:2013:BZ1306
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aftrek btw bij tijdelijk privégebruik van investeringsgoed
De zaak betreft de vraag of een belastingplichtige die een deel van een tot zijn bedrijf behorend investeringsgoed tijdelijk voor privédoeleinden gebruikt, recht heeft op aftrek van btw op duurzame aanpassingen die uitsluitend voor dat privégebruik zijn verricht. De Hoge Raad had het Hof van Justitie van de EU om prejudiciële uitleg gevraagd over de toepassing van artikel 6, lid 2, eerste alinea en letters a en b, artikel 11, A, lid 1, en artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn.
Het Hof van Justitie oordeelde dat de belastingplichtige recht heeft op aftrek van voorbelasting over de kosten van duurzame aanpassingen, ook als deze uitsluitend voor privégebruik zijn uitgevoerd, en dat dit recht losstaat van de vraag of bij de aanschaf van het investeringsgoed btw in rekening is gebracht en afgetrokken. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad nuanceert dit oordeel door te wijzen op de betekenis van het begrip investeringsgoed en de nationale invulling daarvan, en benadrukt dat het aan de feitenrechter is om te beoordelen of de voorzieningen zakelijk zijn afgenomen.
Feitelijk is vastgesteld dat de loods deels tijdelijk voor privégebruik is ingericht met dakkapellen en een portaal, die daarna weer voor bedrijfsdoeleinden zijn gebruikt. De Inspecteur betwistte het recht op aftrek, behalve voor de badkamer en het toilet. De Hoge Raad concludeert dat het beroep gegrond is en verwijst de zaak voor nader feitelijk onderzoek naar een gerechtshof, omdat niet is vastgesteld of de werkzaamheden aan belanghebbende zijn verricht en of de voorzieningen in de hoedanigheid van ondernemer zijn afgenomen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor nader feitenonderzoek naar de aftrek van btw op duurzame aanpassingen.