ECLI:NL:PHR:2013:BY5677
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over schending beroepsgeheim psycholoog en bewijsrecht art. 272 Sr
De zaak betreft een psycholoog die ervan werd verdacht vertrouwelijke informatie van een patiënte te hebben doorgegeven aan een andere psycholoog en een derde persoon, in strijd met art. 272 Sr Pro over het schenden van geheimen.
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het opzettelijk schenden van het beroepsgeheim door het doorgeven van persoonsgegevens en vertrouwelijke informatie aan een collega-psycholoog, maar niet voor het doorgeven aan de derde persoon, omdat daarvoor onvoldoende bewijs was. De verdachte stelde cassatie in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelde dat het enkel noemen van een naam aan de derde persoon niet voldoende is voor een bewezenverklaring van schending van het beroepsgeheim jegens die derde. Daarnaast bevestigde de Hoge Raad dat de mededeling aan de collega-psycholoog wel onder het beroepsgeheim valt, ook al betrof het een tuchtprocedure die openbaar is, omdat het aan de geheimhouder is om te bepalen wat geheim blijft.
De Hoge Raad verwierp voorts de beroepen op strafuitsluitingsgronden zoals afwezigheid van alle schuld, psychische overmacht en noodzaak, omdat daarvoor onvoldoende feitelijke grondslag was. Wel werd erkend dat de redelijke termijn was overschreden, maar dit leidde niet tot strafvermindering omdat geen straf was opgelegd.
De cassatie werd verworpen, waarmee de veroordeling voor het schenden van het beroepsgeheim jegens de collega-psycholoog bleef staan, en de bewezenverklaring voor de derde persoon werd beperkt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor schending van het beroepsgeheim jegens de collega-psycholoog en vernietigt de bewezenverklaring voor de derde persoon.